Jozua Inleiding deel 2
God laat de Kanaänieten uitroeien
Meer bij deze lezing
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/jozua/inleiding-deel-2.pdf?v=fe3bd13c7d74. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/jozua/inleiding-deel-2.
Samenvatting
De oorlogen in Jozua en de ethische vragen rond christenen en oorlog.
Lees de volledige samenvatting
Steve Gregg bespreekt de uitroeiing van de Kanaänieten als Gods oordeel over hun goddeloosheid en verdedigt Gods recht om mensen het leven te ontnemen, ook kinderen. Hij ziet de verovering van Kanaän als een voorafbeelding van de geestelijke strijd van christenen. Vervolgens onderzoekt hij de theorie van de rechtvaardige oorlog en de dilemma’s van christenen die voor hun land vechten, terwijl hun geloofsgenoten ook aan de andere kant kunnen staan; hij laat de vraag naar oorlogsdeelname open en waarschuwt tegen onderlinge veroordeling. Ten slotte legt hij uit dat de rust van Kanaän volgens hem geen beeld van de hemel is, maar van het vertrouwen op Christus’ volbrachte werk in plaats van op eigen prestaties.
Waarom Israël de Kanaänieten moest verdrijven #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer een inleiding op Jozua, deel 2.
We hadden het over de ethiek achter de oorlogvoering in Jozua, want natuurlijk vinden we in Jozua — er is geen mooiere manier om het te zeggen — het gebruik van genocide, het uitroeien van een heel volk. De gevallen van genocide die we uit de moderne tijd kennen, zijn gevallen waarvan we allemaal zouden zeggen dat het misdadig gedrag is, oorlogsmisdaden. Hitler probeerde de Joden uit te roeien, en ook als het niet om de Joden was gegaan, zou het een misdaad zijn geweest. Christenen zijn er bijzonder door geschokt dat de Joden werden aangevallen, maar ook als het om wie dan ook was gegaan, zou het even erg zijn om te proberen een hele bevolking uit te roeien. En toch geeft God Jozua de opdracht om precies dat met de Kanaänieten te doen.
Ik zei dat dit niet hetzelfde soort zaak is als het idee van de jihad. Voor de moslim wordt de islam wereldwijd verspreid met twee mogelijkheden: je bekeert je of je sterft. Het is bekering met het zwaard op de keel. God heeft de Joden nooit zo'n opdracht gegeven. Israël kreeg nooit te horen dat het eropuit moest trekken om mensen te bekeren of te doden. Slechts één geografisch gebied was voor vernietiging bestemd, en dat was het gebied dat God aan Abraham, Izak en Jakob had beloofd. En over de mensen die daar woonden, zegt de Schrift heel duidelijk dat ze buitengewoon goddeloos waren.
Als je kijkt naar Deuteronomium hoofdstuk 9, vers 4 en 5, staat er:
4Wanneer de HEERE, uw God, hen van voor uw ogen verjaagd heeft, zeg dan niet in uw hart: Vanwege míjn gerechtigheid heeft de HEERE mij in dit land gebracht om het in bezit te nemen. Want het is vanwege de goddeloosheid van deze volken dat de HEERE hen van voor uw ogen uit hun bezit verdrijft. 5Niet vanwege uw gerechtigheid of vanwege de oprechtheid van uw hart komt u hun land in om het in bezit te nemen, maar vanwege de goddeloosheid van deze volken verdrijft de HEERE, uw God, hen van voor uw ogen uit hun bezit, en om het woord gestand te doen dat de HEERE, uw God, uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft.
God spreekt hier tot Israël.
Sommige mensen denken dat de Israëlieten niet werkelijk door God werden geleid. Natuurlijk moeten mensen die atheïst zijn enzovoort deze geschiedenis ook verklaren. Ze zeggen dat de Israëlieten alleen maar deden alsof God hun handelen goedkeurde, omdat ze net als elke andere bloeddorstige stam grondgebied van een andere stam wilden afpakken. God had er niets mee te maken. En toch, als ze dit verzonnen, zouden ze niet zo beledigend over zichzelf spreken.
Als je over de Amerikaanse geschiedenis leest en over hoe wij kwamen en dingen van de Amerikaanse indianen afpakten, worden onze blanke Europese kolonisten gewoonlijk altijd verheerlijkt als vrijheidslievende mensen. Ze baanden de weg voor wat uiteindelijk een nieuw tijdperk van democratie en vrijheid enzovoort zou worden. De Amerikaanse indianen schilderen we niet echt af als bijzonder goddeloos. Het is gewoon zo dat wij zo geweldig waren dat wij het land verdienden. We kwamen hierheen en we waren goede mensen. We hadden een opdracht van God, en wij zijn de goeden.
In sommige conflicten schilderen we de oorspronkelijke bewoners van Amerika af als de slechteriken, vooral tegenover de cowboys. Maar het is een feit dat de meeste geschiedschrijving, ook de Amerikaanse, erop neerkomt dat onze roemrijke voorouders kwamen en kregen wat wij verdienden. We namen land in omdat we het verdienden. Wij zijn een groot volk. En dat staat niet in de documenten van de Israëlieten. Daarin staat dat ze niet rechtvaardig zijn. Ze zijn goddeloos. Maar ze zijn alleen niet zo goddeloos als de mensen die ze moesten gaan vernietigen.
De hele reden om de Kanaänieten te vernietigen was niet alleen dat de Joden Gods lievelingen waren en de Kanaänieten hun daarom in de weg stonden en moesten verdwijnen. Het was omdat de Kanaänieten zo goddeloos waren dat God hen op de een of andere manier moest wegdoen.
Gods oordeel en de dood van onschuldigen #
In de dagen van Abraham had Hij hetzelfde met Sodom en Gomorra gedaan, maar Hij gaf het land van Sodom en Gomorra niet aan Abraham. Het ging er niet om hun grondgebied af te pakken. Het ging erom hen te oordelen omdat ze goddeloos waren. En dat komt overeen met wat voor de Kanaänieten gold. Het verschil is dat de Kanaänieten niet werden vernietigd door vuur en zwavel uit de hemel, maar door oorlog.
Hoewel dit het iets bezwaarlijker maakt vanuit het standpunt van de mensen die de oorlog moeten voeren, vooral als je vrouwen en kinderen doodt, is de uitkomst hetzelfde. Als er vuur en zwavel op Sodom en Gomorra neerkwamen, kwamen daarbij ook de vrouwen en kinderen om. We denken er alleen minder over na, omdat we ons geen man met een zwaard voorstellen die daadwerkelijk een onschuldige baby doodt. We zien dat God baby's en vrouwen en kinderen en dieren doodt in Sodom en Gomorra. Maar wanneer een mens het uitvoert, gaan natuurlijk de ethische vragen rond die persoon meespelen in onze afwegingen en onze gevoelens.
We denken: ‘Hoe kan een soldaat nu werkelijk een baby doden of een vrouw doden, of gewoon zo'n bloedbad aanrichten?’ Het is vreemd, en ik ben eigenlijk blij dat God dat niet meer doet. Ik ben blij dat er geen bevolkingsgroepen zijn die Hij de kerk zal laten uitroeien, want ik zou daar heel veel moeite mee hebben. Maar één reden waarom ik daar moeite mee zou hebben, en één reden waarom wij het bezwaarlijk vinden, is dat we geboren en opgegroeid zijn in een christelijke cultuur. Het is niet de Verlichting die ons deze verlichte ideeën heeft gegeven. Het is het christendom. Het komt doordat dezelfde God Die dit bij deze gelegenheid liet doen, Zichzelf verder heeft geopenbaard in Christus. En Christus heeft de westerse beschaving zo beïnvloed dat we dit soort gedrag nu als onaanvaardbaar beschouwen. Het is nu onaanvaardbaar omdat God dat nu niet doet. Maar als God vandaag hele volken zou willen oordelen, heeft Hij daar alle recht toe. Of dat nu is door vuur en zwavel uit de hemel, door oorlog, doordat de aarde zich opent en hen verzwelgt, of door een vloed die hen allemaal wegvaagt.
In al deze situaties komen mensen massaal om het leven: mannen, vrouwen en kinderen. Trouwens, ook dingen die niet noodzakelijk rechtstreekse oordelen van God zijn, zoals tsunami’s en aardbevingen en dat soort dingen, maken soms hele bevolkingen van kant. Daarvoor hoeft God Zich niet te verantwoorden. God heeft het recht om ons het leven te ontnemen wanneer Hij maar wil, ook degenen onder ons die nergens schuldig aan zijn.
Als een tsunami mijn huis, mijn kinderen en mij zou wegvagen, zou ik niet voor God staan en zeggen: ‘God, hoe rechtvaardigt U dit?’ Wat ik zou zeggen, is: ‘O, dus zo zal het mij vergaan. Ik wist dat ik zou sterven. Ik wist niet op welke dag, ik wist niet op welke manier, maar ik wist dat ik zou sterven, want zondaars sterven.’
Over ieder mens die geboren wordt, is het doodvonnis uitgesproken.
Zie, alle mensen levens behoren Mij toe. Zowel het leven van de vader als het leven van de zoon, die behoren Mij toe. De mens die zondigt, die zal sterven.
Jong sterven en God ontmoeten #
We worden als zondaars geboren en daarom worden we met een doodvonnis geboren. Of we nu een paar dagen na onze geboorte sterven, of na een paar jaar, of na een paar tientallen jaren, wij vinden dat belangrijk. Want vanuit ons perspectief is dit leven alles wat we kennen en waardevol vinden. Maar de Bijbel leert ons een ander perspectief: de grootste tragedie is niet dat iemand sterft, maar dat hij sterft zonder erop voorbereid te zijn God te ontmoeten. Want iedereen zal God ontmoeten.
Zoals ik de Schrift begrijp, staat een baby die sterft op goede voet met God wanneer hij Hem ontmoet. Als iemand onschuldig is, heeft hij niets te vrezen wanneer hij voor God komt te staan. Dat betekent niet dat hij niet jong zal sterven. Hij kan jong sterven door een natuurramp, door misdadig gedrag, of door een rechtstreeks oordeel dat God over zijn samenleving brengt. God heeft het recht om mensen het leven te ontnemen wanneer Hij maar wil. En of Hij hun het leven ontneemt wanneer ze één dag oud zijn of honderd jaar oud, zal in de eeuwigheid niet zo heel veel verschil maken. Behalve dat een kind dat op de leeftijd van één dag sterft vrijwel zeker in de hemel komt, terwijl de kans groot is dat hetzelfde kind, als het honderd jaar oud wordt, daar niet zal zijn.
En dat geldt vooral voor de Kanaänieten. Als die kinderen waren blijven leven en in de Kanaänitische cultuur waren opgegroeid, zouden ze op een dag toch sterven. Ze zouden nu dood zijn, maar ze zouden nu niet bij God zijn. En naar alle waarschijnlijkheid zijn ze dat wel, degenen die als zuigeling gestorven zijn. Voor degenen die goddeloos zijn, kunnen we eigenlijk niets ter verdediging aanvoeren.
Het lijkt oneerlijk dat God iemand op jonge leeftijd het leven ontneemt, omdat wij niet jong zijn en Hij ons het leven niet heeft ontnomen. Vanuit ons perspectief is het dus niet echt juist dat God jonge mensen het leven ontneemt. Maar het echte wonder is waarom Hij ons niet allemaal eerder het leven ontneemt. De vraag is eigenlijk niet: ‘Hoe rechtvaardigt God dat Hij mensen doodt?’ De vraag is: ‘Hoe rechtvaardigt Hij dat Hij mensen zo lang niet doodt?’
Kinderoffers en Gods geduld met Kanaän #
En God heeft de Kanaänieten veel langer verdragen dan iemand van ons zich werkelijk zou kunnen voorstellen, want hun cultuur was buitengewoon demonisch. Archeologen hebben monumenten en overblijfselen van hun samenleving opgegraven die ons vertellen hoe ze hun Molech aanbaden en hoe ze Baäl aanbaden. Zoals ik al zei, verbrandden ze hun kinderen levend op een bronzen beeld waarin een vuur werd gestookt, zodat het roodgloeiend was. Het had de kop van een stier en het lichaam van een man, en de armen waren uitgestrekt met de handen omhoog. En ze legden een levende baby in een roodgloeiend bronzen beeld totdat die levend verbrandde. En om te voorkomen dat ze er spijt van zouden krijgen doordat ze de baby hoorden schreeuwen, lieten ze op het moment dat ze dat deden de muzikanten beginnen. Er werd op luide muziekinstrumenten muziek gespeeld om het geschreeuw van de baby te overstemmen, terwijl ze voor het afgodsbeeld een orgie hielden. Zo ging de Kanaänitische aanbidding eraan toe.
Waarom God dat honderden jaren verdroeg, is moeilijker te begrijpen dan waarom Hij het liet uitroeien. In de tijd van Abraham zei God:
13Toen zei God tegen Abram: Weet wel dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat niet van hen is; zij zullen hen dienen en men zal hen vierhonderd jaar onderdrukken. 14Maar ook zal Ik over het volk dat zij zullen dienen, rechtspreken en daarna zullen zij met veel bezittingen wegtrekken. 15Maar ú zult in vrede tot uw vaderen heengaan; u zult in goede ouderdom begraven worden. 16De vierde generatie zal hier terugkeren, want de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nu toe niet vol.
Hij zegt:
Want de Amorieten hebben nog niet genoeg kwaad gedaan.
Dat wil zeggen: ze zijn eigenlijk nog niet helemaal zover dat Ik hen moet oordelen. Dat staat in Genesis 15:16.
Bij deze mensen in de dagen van Jozua was hun ongerechtigheid vol. Het was tijd dat ze geoordeeld werden. Maar enkele honderden jaren eerder, in de tijd van Abraham, was het nog niet zover, hoewel ze deze dingen toen al deden. God verdroeg hen honderden jaren voordat Hij het oordeel over hen bracht. Wij lezen alleen over het oordeel, en we lezen eigenlijk niet over hun hele geschiedenis, over alles wat God hen zag doen.
De misstanden in de Kanaänitische cultuur #
Als je naar Leviticus hoofdstuk 18 kijkt, krijgen we daar een indruk van. In Leviticus 18, vers 24 en 25, zegt Mozes tegen Israël:
24U mag uzelf niet verontreinigen met al die dingen, want de heidenvolken die Ik vóór u uit ga verdrijven, hebben zich met al die dingen verontreinigd, 25zodat het land onrein geworden is. Ik zal het zijn ongerechtigheid vergelden, zodat het land zijn bewoners zal uitspuwen.
We kunnen in dat hoofdstuk zien over wat voor dingen hij het heeft. Hij zegt:
U mag de schaamte van uw vader, namelijk de schaamdelen van uw moeder, niet ontbloten. Zij is uw moeder, u mag haar schaamdelen niet ontbloten.
En kijk naar vers 21:
21U mag niemand uit uw nageslacht overgeven om aan de Molech geofferd te worden. De Naam van uw God mag u niet ontheiligen. Ik ben de HEERE. 22U mag niet slapen met een mannelijk persoon , zoals u met een vrouw slaapt. Dat is een gruwel. 23Ook mag u met geen enkel dier de geslachtsdaad verrichten. Dan verontreinigt u uzelf daarmee. Een vrouw mag ook niet vóór een dier gaan staan om ermee te paren. Het is een afschuwelijke schanddaad.
Dat zijn behoorlijk weerzinwekkende dingen. En dan zegt hij in vers 24:
Maak jezelf niet onrein met deze dingen, want daarmee hebben de volken die Ik voor jullie verdrijf zich onrein gemaakt.
Hij bedoelt de Kanaänieten. Dat zijn de dingen die zij deden. Ze hadden seks met dieren. Ze bedreven homoseksualiteit. Ze verbrandden hun kinderen in het vuur voor Molech. Dat was wat ze deden. En God zegt:
Ik verdrijf ze omdat ze dit hebben gedaan.
En Hij zegt in vers 25:
zodat het land onrein geworden is. Ik zal het zijn ongerechtigheid vergelden, zodat het land zijn bewoners zal uitspuwen.
Alles wat ze doen is zo walgelijk, dat het is alsof het land zelf hen niet kan verdragen. Het wordt misselijk van hun gedrag.
Het oordeel vanuit Gods perspectief #
Nu lezen we in de Bijbel geen Kanaänitische geschiedenis. We lezen in de Bijbel Joodse geschiedenis, Israëlitische geschiedenis. En dus, al die tijd dat we lezen over Abraham, Izak en Jakob, en over Israël in Egypte en de tijd van Mozes, deden de Kanaänieten al die dingen, maar het staat gewoon niet opgetekend. En wanneer we dan zien dat de Israëlieten binnenkomen en deze mensen uitroeien, zeggen we: ‘Waarom vallen ze deze arme, onschuldige mensen aan? Dit zijn toch geen vijanden van hen? Waarom moeten ze juist hen hebben?’ Nou, het is niet Israël dat hen moet hebben; het is God Die hen moet hebben. God had iets tegen hen, en hun tijd was gekomen om te verdwijnen, hoe moeilijk het soms ook voor ons is om daar begrip voor op te brengen.
Maar wanneer we in dit geval aan genocide denken, moeten we verschillende dingen onthouden. Wij bekijken het vanuit een christelijk perspectief, op een manier waarop een niet-christen het niet kan bekijken. En daarom kunnen we eigenlijk niet verwachten dat we een niet-christen ervan kunnen overtuigen dat dit in orde is. Je moet haast al aan Gods kant staan voordat je het vanuit Zijn gezichtspunt kunt zien. Als je een humanist bent, kies je de kant van de mens en zal God Zijn daden moeten verklaren.
Er is een geschil tussen God en de zondige mens. We zullen in die kwestie óf aan Gods kant staan, óf aan de kant van de zondige mens. Omdat we zondige mensen zijn, zijn we van nature geneigd aan de kant van de mens te staan en te zeggen: ‘Hoe durft God mensen zo te behandelen?’ Maar christenen horen mensen te zijn die hun trouw aan iemand anders hebben gegeven. We staan nu aan Gods kant. We staan niet aan de kant van Gods vijanden. We staan aan de kant van God. En daarom erkennen we dat God het recht heeft te doen wat Hij wil. Zeker omdat alle mensen gezondigd hebben en er een doodvonnis is dat Hij kan voltrekken wanneer Hij maar wil. Het verbazingwekkende is dat Hij het niet eerder doet dan Hij het doet.
De pottenbakker: oordeel en bekering #
Maar als je naar Jeremia 18 kijkt: dit wordt gezegd in verband met Israël, maar het is zeker op elk volk van toepassing. In Jeremia 18, vers 1, staat:
Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia:
2Sta op en daal af naar het huis van de pottenbakker. Daar zal Ik u Mijn woorden doen horen. 3Zo daalde ik af naar het huis van de pottenbakker. En zie, hij was op de draaischijven een werkstuk aan het maken.
De pot die hij van klei maakte, mislukte in zijn hand.
Jeremia ging op Gods opdracht naar het huis van een pottenbakker en zag hem daar aan het werk. Er ging iets mis met de pot die de pottenbakker aan het maken was.
4Mislukte de pot die hij aan het maken was met de klei in de hand van de pottenbakker, dan maakte hij daarvan weer een andere pot, zoals het in de ogen van de pottenbakker goed was om te maken. 5Toen kwam het woord van de HEERE tot mij: 6Zou Ik met u niet kunnen doen zoals deze pottenbakker, huis van Israël? spreekt de HEERE. Zie, zoals de klei in de hand van de pottenbakker, zo bent u in Mijn hand, huis van Israël. 7Het ene ogenblik doe Ik de uitspraak over een volk en over een koninkrijk dat Ik het weg zal rukken, af zal breken en zal doen ondergaan. 8Bekeert zich dat volk waarover Ik die uitspraak heb gedaan echter van zijn kwaad, dan zal Ik berouw hebben over het kwade dat Ik het dacht aan te doen. 9Het andere ogenblik doe Ik de uitspraak over een volk en over een koninkrijk dat Ik het zal bouwen en planten. 10Doet het echter wat kwaad is in Mijn ogen door niet te luisteren naar Mijn stem, dan zal Ik berouw hebben over het goede waarmee Ik zei het goed te doen.
Let nu op, Hij heeft het hier eigenlijk over Israël, maar Hij zegt:
Welk volk dan ook.
Ik kan met elk volk doen wat Ik wil, zoals een pottenbakker met de potten kan doen wat hij wil. Maar Hij zei:
Ik handel echt niet grillig of willekeurig. Soms spreek Ik een oordeel uit over een volk, maar als ze hun leven beteren, zal Ik ze niet veroordelen. Soms beloof Ik een volk te zegenen, maar als ze ophouden het goede te doen, zal Ik ze niet zegenen.
Met andere woorden, er zit een methode achter dit handelen van God. Het is niet onvoorspelbaar. Het is niet grillig. Het is eenvoudig zo dat Hij volgens een beginsel handelt. En een rechtvaardig volk zal uiteindelijk gezegend worden. Een goddeloos volk zal op een dag geoordeeld moeten worden, tenzij het zich van zijn kwaad afkeert.
Ninevé was heel slecht. Toen er nog maar veertig dagen over waren tot de verwoesting ervan, stuurde God Jona. Maar ze bekeerden zich. En dus staat er:
Toen zag God wat zij deden, dat zij zich bekeerden van hun slechte weg. En God kreeg berouw over het kwade dat Hij gezegd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet.
David kiest partij tegen Gods vijanden #
Hij bracht geen onheil over Ninevé, pas honderd jaar later. God is dus heel geduldig, meer dan redelijk. En wanneer Hij uiteindelijk mensen uitroeit, heeft Hij eerst ontzettend veel ellende van hen verdragen. Christenen horen in deze zaken Gods kant te kiezen. Kijk naar Psalm 139. Sommige mensen houden niet van bepaalde psalmen die gaan over Davids woede tegen de goddelozen en hoe hij hun kwaad toewenst. Die psalmen worden de vloekpsalmen genoemd, en dit is er een van. In Psalm 139, vers 19 tot en met 22, zegt David:
19O God, breng de goddeloze om! Mannen van bloed, ga weg van mij. 20Want met listige plannen spreken zij over U en zij zetten Uw vijanden aan tot valsheid. 21Zou ik niet haten, HEERE, wie U haten, walgen van wie tegen U opstaan? 22Ik haat hen met een volkomen haat, mijn eigen vijanden zijn het.
Dat wil zeggen:
Ik haat de mensen die U haten, Heer.
Ik waardeer vooral die laatste regel, omdat hij daarmee aangeeft dat hij het niet heeft over mensen die zijn vijanden zijn. Hij heeft het over mensen die Gods vijanden zijn. Hij zegt:
Ik zie ze als mijn vijanden.
Waarom? Omdat ze U haten. Omdat ze bloeddorstig zijn. Ze vervloeken U. Ze doen goddeloze dingen. Dit zijn goddeloze mensen. Het zijn niet Davids persoonlijke tegenstanders. Hij haat hen niet omdat ze hem iets verkeerds aandoen, maar omdat hij aan Gods kant staat. Hij zegt: ‘Ik zie dat deze mensen met U in oorlog zijn, God, en ik sta aan Uw kant.’ Daarom maak ik hen tot mijn vijanden. Niet omdat ik dat anders zou doen, maar omdat ik aan Gods kant sta. Ik beschouw Gods vijanden als mijn vijanden. Ik reken hen tot mijn vijanden en ik zal hen haten.
‘Hen haten’ moeten we natuurlijk zo begrijpen dat hij krachtig tegen hen stelling neemt. In het Nieuwe Testament moeten we, zoals we weten, zelfs onze vijanden liefhebben. Maar dat betekent niet dat we niet krachtig stelling nemen tegen het kwaad. Dus wanneer we zeggen: ‘God zei dat dit het juiste is om te doen: deze Kanaänieten uitroeien’, en ik zie niet in waarom dat zo is, dan kies ik hierin gewoon Gods kant en zeg ik: ‘God weet meer over wat er aan de hand is dan ik.’ Hij kan zeker beter beoordelen wat rechtvaardig is dan ik. Hij weet zeker beter dan ik wat een bepaald individu of een bepaalde samenleving verdient. Hij houdt overal rekening mee. Hij handelt nooit onrechtvaardig. Als we dat over God geloven, kiezen we in zulke gevallen gewoon Zijn kant.
God vertrouwen ondanks onbegrip #
De ongelovige zal daar geen begrip voor hebben. Als we altijd de goedkeuring van de ongelovige willen hebben, zullen we soms Gods kant niet kunnen kiezen, want ongelovigen doen dat niet. Maar we zullen bereid moeten zijn om soms de afkeuring van ongelovigen te ondervinden. Jezus zei:
Wee u, wanneer alle mensen goed van u spreken, want hun vaderen deden evenzo met de valse profeten.
We willen dat ze dat doen. We willen dat ze allemaal goed over ons spreken. Maar soms moeten we zeggen: ‘Ik weet dat je hier geen begrip voor kunt opbrengen, maar God heeft gelijk. Dit is het juiste om te doen.’ Hoe weet ik dat? Ik kan enkele redenen zien waarom het juist is. Maar zelfs als ik die niet kon zien, weet ik dat God alleen juiste dingen doet. Daarom is het juist, omdat God het heeft gedaan.
Dat zal heel naïef klinken voor iedereen die nog niet aan Gods kant staat. Maar wij zijn, zoals Paulus zei:
Wij zijn dwaas om Christus' wil, maar u bent wijs in Christus, wij zwak, maar u sterk, u geëerd, maar wij veracht.
Soms vinden we dat niet prettig. We zijn graag apologeten. We willen graag redelijke antwoorden kunnen geven, zodat degene die niet gelooft er dom uitziet. Soms zullen wij er dom uitzien, alleen al vanwege onze vooronderstellingen. Een daarvan is: ‘God heeft gelijk. Ik sta aan Zijn kant.’ Dat is een vooronderstelling die de meeste mensen in onze samenleving niet met ons delen.
Sommige mensen denken: ‘Had Israël niet gewoon de volwassenen kunnen doden en de kinderen kunnen sparen?’ Wat? Zodat die kinderen zonder ouders door de woestijn zouden zwerven en zichzelf maar moesten zien te redden? Of moest Israël een adoptiebureau voor Kanaänitische kinderen worden? Is dat waartoe God Israël geroepen had? God had Israël niet geroepen om een weeshuis voor Kanaänieten te zijn. Hij had hen geroepen om Zijn eigen bijzondere volk te zijn. Het kan dus hard lijken om ook de kinderen te doden. Maar zoals ik al zei: als die kinderen stierven en naar de hemel gingen, zijn ze beter af dan wanneer ze waren blijven leven en Kanaänitische heidenen waren geworden. Ze zouden toch sterven, en dan zouden ze er niet zo goed aan toe zijn. Dit is niet gemakkelijk. Er is geen gemakkelijke manier om ons hier een goed gevoel over te geven.
Kanaän veroveren als geestelijke strijd #
Maar iets wat we ook moeten opmerken over de oorlogen in Jozua, is dit. Volgens Paulus in 1 Korinthe 10, vers 6 en vers 11, zijn de ervaringen van de kinderen van Israël een voorafbeelding van onze ervaring. Daarom kunnen we deze oorlogen van Israël zien als voorafbeeldingen van de strijd die wij voeren, die geestelijk van aard is. Natuurlijk worden wij niet uitgezonden om een lichamelijke oorlog te gaan voeren tegen welke samenleving of welk volk dan ook. Paulus zei over de wapens van onze strijd, waarmee hij ons als christenen bedoelt:
De wapens van onze strijd zijn immers niet vleselijk, maar krachtig door God, tot afbraak van bolwerken.
In 2 Korinthe 10, vers 4 en 5, staat:
Denkbeelden onderuithalen en alles wat zich verheft tegen de kennis van God.
We hebben geestelijke bolwerken, geestelijk gebied dat we moeten veroveren, en er is tegenstand. Er zijn demonische machten. Paulus zei:
Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten.
Dit is Efeze 6, volgens mij vers 12. De gedachte is dus dat we geen lichamelijke strijd voeren.
Onze wapens zijn geen lichamelijke wapens. Maar we voeren wel een strijd. En de verovering van het land Kanaän is een voorafbeelding van christenen die in de geestelijke wereld de strijd van de Heere voeren en Zijn vijanden overwinnen, die op dat moment ook onder Zijn oordeel staan.
Psalm 149 en het oordeel over kwade machten #
Kijk maar eens naar Psalm 149. Ik vraag me soms echt af wat de schrijver van deze psalm voor ogen had toen hij deze woorden schreef, maar ze spreken de christen beslist op een bepaalde manier aan. Ik vraag me af of dit een van die passages is waarin de schrijver niet wist waar hij het over had, maar de Heilige Geest hem woorden gaf die een latere generatie nuttig zou vinden. In Psalm 149 staat, vanaf vers 5:
Laten Zijn gunstelingen om die eer opspringen van vreugde, laten zij vrolijk zingen op hun slaapplaatsen.
De reden dat ik niet weet wat deze schrijver voor ogen had, is dat ik niet weet wie de schrijver was. Er staat niet dat het David was. Sommige psalmen zijn door David geschreven en andere niet. Van de 150 psalmen dragen er 75 de naam van David. Van de overige 75 dragen sommige de naam van iemand anders en sommige helemaal geen naam. Deze is anoniem. Hij kan dus op elk moment in de geschiedenis van Israël zijn geschreven, maar waarschijnlijk niet al in de tijd van Jozua.
Maar als hier wordt gesproken over de heiligen die een tweesnijdend zwaard in hun hand nemen en wraak oefenen over de volken, dan geldt dat Israël gedurende het grootste deel van zijn geschiedenis niet de taak had eropuit te trekken, de volken aan te vallen en als Gods werktuig wraak te oefenen over de volken. Ik vraag me soms af of dit de boodschap van de Heilige Geest aan de gemeente is over onze geestelijke strijd. Wij worden naar de volken gezonden. Jezus zei:
Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen.
Wij moeten hun heersers overwinnen: hun geestelijke heersers, de hemelse boosheid in de geestelijke gewesten waar Paulus over spreekt. Dat zijn de edelen en vorsten die wij moeten binden en overwinnen.
Er staat:
5Laten Zijn gunstelingen om die eer opspringen van vreugde, laten zij vrolijk zingen op hun slaapplaatsen. 6Gods lofzangen klinken uit hun mond, een tweesnijdend zwaard is in hun hand, 7om wraak te oefenen over de heidenvolken, bestraffingen over de natiën, 8om hun koningen te binden met ketenen en hun aanzienlijken met ijzeren boeien, 9om het beschreven recht aan hen te voltrekken. Dát zal de glorie van al Zijn gunstelingen zijn. Halleluja!
Maar in vers 9 staat:
De gelovigen voeren het oordeel over hen uit zoals het is opgeschreven.
Met andere woorden, er is een oordeel dat God vanuit Zijn rechterstoel over deze volken of over hun heersers heeft uitgesproken. De heiligen trekken eropuit en voeren het vonnis uit. Zoals ik al zei, deed Jozua dat, maar deze psalm is waarschijnlijk lang na Jozua geschreven. Daar zou bijna iedereen het over eens zijn. Er is dus, voor zover ik weet, geen moment in de geschiedenis van Israël waarop dat werkelijk op Israël van toepassing zou zijn geweest. God heeft de gemeente zeker nooit gemachtigd eropuit te trekken en in fysieke oorlogen te vechten. Daarom heb ik altijd gedacht dat dit wel een verwijzing naar geestelijke strijd moet zijn.
Een tweesnijdend zwaard in de hand van de gelovige — Paulus zei immers:
Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot op de scheiding van ziel en geest, van gewrichten en merg, en het oordeelt de overleggingen en gedachten van het hart.
Wij trekken naar de volken en slaan de demonische machthebbers over die volken neer door de verkondiging van het Evangelie en door de strijd die wij voeren. Maar er staat een oordeel op schrift tegen de demonische machten. Toen Jezus stierf, werden zij veroordeeld. Jezus zei in Johannes 12:31:
Nu wordt het oordeel over deze wereld voltrokken, nu zal de vorst van deze wereld buitengeworpen worden.
of uitgeworpen. Hij zei:
8En als Die gekomen is, zal Hij de wereld overtuigen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel: 9van zonde, omdat zij niet in Mij geloven; 10van gerechtigheid, omdat Ik heenga naar Mijn Vader en u Mij niet meer zult zien; 11en van oordeel, omdat de vorst van deze wereld veroordeeld is.
God heeft satan aan het kruis geoordeeld, en wij brengen dat oordeel ten uitvoer door de strijd waarin wij naar de volken gaan en daar in wezen de invloed van de duivel vernietigen. Dat is waartoe wij geroepen zijn. Dat is onze strijd. De verovering van de wereld voor Christus door de verkondiging van het Evangelie loopt in zekere zin parallel met de verovering van Kanaän door Jozua en de Israëlieten. Zij voerden een fysieke strijd; die komt overeen met onze geestelijke strijd. Ik geloof dat dit zo bedoeld is. Ik geloof dat veel dingen in het Oude Testament bedoeld zijn als typen van nieuwtestamentische werkelijkheden.
Christenen en oorlog in de vroege kerk #
Er is nog een ander aspect dat niet specifiek met jihad te maken heeft, of zelfs met genocide, maar waarover christenen toch verdeeld raken. Dat is de hele kwestie van christenen en oorlog, of Gods houding tegenover oorlog in het algemeen. Niemand van ons zou tegenwoordig een jihad of genocide goedkeuren als ons werd gevraagd eropuit te trekken en zoiets te plegen. Als je als christen in het leger zat en te horen kreeg dat je alle vrouwen en kinderen in een dorp in Vietnam of zoiets moest gaan uitroeien, zou je dat als christen nooit kunnen doen. Je zou zeggen: ‘Dat kunnen we nooit goedkeuren. Dat is verkeerd.’
Maar veel christenen keuren andere vormen van vechten in een oorlog wel goed. Er zijn beslist veel godvruchtige mensen in de Tweede Wereldoorlog gaan vechten tegen de Japanners en de nazi’s in Duitsland. Er zijn maar heel weinig christenen die dat zouden afkeuren. Maar er zijn er wel die dat doen. Er zijn mensen die zeggen dat christenen helemaal niet in een oorlog zouden moeten vechten. Dat was trouwens het standpunt van de vroege gemeente gedurende de eerste drie eeuwen. Er waren eigenlijk geen christelijke woordvoerders die zich ooit positief uitspraken over christenen die in een oorlog vochten, waarschijnlijk tot aan Augustinus. Augustinus bepleitte een theorie die de ‘theorie van de rechtvaardige oorlog’ wordt genoemd. Tot aan Augustinus, rond het jaar 400 na Christus, zeiden alle kerkvaders die zich over dit onderwerp uitspraken dat christenen niet geroepen zijn om in oorlogen te vechten. Zij voeren een geestelijke strijd voor hun samenleving en voor God, en zij hoeven geen fysieke wapens op te nemen. Zoals Paulus zei:
Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten.
De kerkvaders namen dat dus heel letterlijk en geloofden niet dat christenen ooit in oorlogen zouden moeten vechten.
Augustinus en de rechtvaardige oorlog #
Maar Augustinus bracht iets de kerk binnen wat Plato had bedacht en wat de ‘theorie van de rechtvaardige oorlog’ werd genoemd. Die hield in dat christenen niet in elke oorlog moeten vechten, maar dat het voor christenen moreel en juist is om in sommige oorlogen te vechten. Natuurlijk was de kerk tegen de tijd van Augustinus verweven geraakt met de Romeinse staat. Augustinus schreef dit ongeveer 75 jaar nadat keizer Constantijn christen was geworden en Rome in wezen met de kerk verweven was geraakt. Dus als Rome oorlog ging voeren, maakten zijn soldaten natuurlijk allemaal deel uit van de kerk. Alle Romeinen werden zogenaamd christen, of sloten zich op zijn minst bij de kerk aan. Dus óf Rome zou zich helemaal niet tegen de barbaren kunnen verdedigen, óf er moest een soort ethiek komen die christenen toestond tegen de barbaren te vechten.
Dus Augustinus kwam, met aan Plato ontleende ideeën, met de ethiek van de rechtvaardige oorlog. Hij zei dat het verkeerd is voor christenen om in veel oorlogen te vechten. Veel oorlogen zijn gewoon slecht, gewoon immoreel. Maar sommige oorlogen zijn niet immoreel. Sommige oorlogen zijn rechtvaardig, en christenen moeten voor gerechtigheid zijn en bereid zijn voor gerechtigheid te vechten. Daarom stelde hij richtlijnen op, die Augustinus de richtlijnen voor een rechtvaardige oorlog noemde.
Er waren een heleboel richtlijnen, maar een paar die heel gemakkelijk te onthouden zijn, waren deze. Een rechtvaardige oorlog moest volledig defensief zijn. Je mocht met andere woorden niet zelf een aanval op iemand anders beginnen. Je mocht alleen je eigen land verdedigen. Een rechtvaardige oorlog moest met evenredige middelen worden gevoerd, niet met buitensporige middelen. Dat wil zeggen, je zou alleen zoveel wapens, middelen en strijdkrachten gebruiken als nodig waren om de agressie van je vijand af te slaan, in plaats van onnodig hun hele steden te gaan bombarderen en verwoesten. De richtlijnen voor een rechtvaardige oorlog houden in dat je leger de onschendbaarheid van niet-strijders aan de kant van de vijand moest garanderen. Je zou dus niemand doden behalve hun soldaten.
Dit waren enkele van de richtlijnen. Er is een lange lijst met richtlijnen, en de meeste christelijke filosofen, tenminste die van gereformeerde overtuiging, zouden zeggen dat richtlijnen voor een rechtvaardige oorlog goed en Bijbels zijn. En misschien zijn ze dat ook. Dat is moeilijk te zeggen. Het is omstreden. Sommige christenen zeggen dat we in geen enkele oorlog moeten vechten, omdat de oorlogen van deze wereld niet onze strijd zijn. Wij zijn burgers van de hemel. Wij zijn hier gezanten. Wij zijn niet werkelijk burgers in die zin dat het welzijn van een aardse natie op welke manier dan ook invloed heeft op het welzijn van het Koninkrijk van God, waar ons burgerschap ligt. Hierover bestaan verschillende opvattingen.
Oorlog als werktuig van Gods oordeel #
Maar we kunnen over sommige oorlogen wel bepaalde dingen met zekerheid zeggen. Eén ding dat de Bijbel leert, is dat God oorlog gebruikt als een Goddelijk oordeel. Niet alleen in het Oude Testament, maar ook in de tijd van het Nieuwe Testament. We zien het voortdurend in het Oude Testament. God gebruikte de oorlog van Jozua om de Kanaänieten te vernietigen. Het was een oordeel van God over hen. God gebruikte de Babyloniërs en de Assyriërs om het oordeel over Israël en Juda te brengen wanneer zij geoordeeld moesten worden. Steeds weer spreken de profeten over Gods oordeel over bepaalde volken, dat door gewone oorlogen wordt voltrokken. Dat Kores tegen Babylon optrok, was Gods oordeel over Babylon. Dat Babylon tegen Egypte optrok, was God Die in Jesaja 19 naar Egypte kwam om Egypte te vernietigen.
Wanneer God een volk wil oordelen, doet Hij dat vaak, meestal, door oorlog. Dus hoewel de mensen die de aanvalsoorlog tegen dat volk voeren geen godvruchtige mensen zijn, worden ze toch als Gods instrumenten gezien. In Jesaja 10 spreekt God er bijvoorbeeld over hoe de Assyriërs gebruikt zullen worden om het noordelijke koninkrijk Israël te vernietigen. En dat hebben ze ook gedaan. Maar in Jesaja 10 zegt God dat de Assyriërs het niet zo zien. De Assyriërs zien zichzelf niet als de uitvoerders van Gods rechtvaardige oordeel. Hij zegt dat het hun alleen maar gaat om het agressief veroveren van grondgebied. Het zijn gewoon mensen die zoveel mogelijk land willen opslokken. Ze zien zichzelf niet als werktuigen van God. Ze zien zichzelf alleen als aanvallende krijgers die grondgebied voor hun land innemen. Maar Hij zegt dat ze onbedoeld Gods werktuigen zijn.
Ze beroemen zich op hun heldendaden, en in dat hoofdstuk zegt Hij:
Zou een bijl zich beroemen tegen wie ermee hakt, of een zaag zich verheffen tegen wie hem trekt? Alsof een staf regeert over wie hem hanteert, alsof een stok opheft wie geen stuk hout is.
Met andere woorden, Hij zegt dat Assyrië gewoon als een werktuig in Gods hand is. Het werktuig weet niets van Degene Die het hanteert. Het werktuig is zich er alleen van bewust dat het doet wat het doet, maar God is Degene Die het beweegt. Dat is de theologie van oorlog in de Bijbel: dat oorlog daadwerkelijk door God wordt gebruikt. Dat betekent niet dat Hij altijd aan de kant staat van de mensen die winnen. De mensen die als uitvoerders van het oordeel komen, zijn soms slechter dan de mensen over wie zij het oordeel voltrekken. Dat was in feite een deel van de boodschap van Habakuk, want God vertelde Habakuk dat Juda door de Babyloniërs vernietigd zou worden. Habakuks reactie was:
U bent te rein van ogen om het kwade aan te zien, moeite kunt U niet aanschouwen. Waarom aanschouwt U wie trouweloos handelen, zwijgt U, wanneer een goddeloze hem verslindt die rechtvaardiger is dan hijzelf?
Gods antwoord aan Habakuk was:
7Zullen niet, opeens, zij die u bijten, opstaan, ontwaken wie u doen beven, zodat u hun tot buit wordt? 8Omdat ú vele heidenvolken beroofd hebt, zullen alle overgebleven volken u beroven, vanwege het vergoten bloed van de mensen en het geweld tegen het land, de stad en al zijn inwoners.
Het feit dat God Babylon gebruikt, betekent niet dat Hij Babylon goedkeurt. Het betekent alleen dat zij een werktuig zijn dat Hij gebruikt.
Gods kant kennen door de profeten #
Als God oorlog zo beziet, hoe zien we dat dan terug in hedendaagse oorlogen? Ik zou moeten zeggen dat we, alleen al op grond van de afloop, zouden kunnen zeggen dat de geallieerde strijdkrachten in de Tweede Wereldoorlog Gods werktuig waren om Hitler en zijn verdorven bondgenoten te oordelen. Maar wat als het anders was afgelopen? Hadden we dan kunnen concluderen dat Hitler, hoe slecht hij ook was, misschien Gods werktuig van oordeel was om ons te vernietigen? Ik weet niet zeker of we toen al slecht genoeg waren om onder dat oordeel te vallen. Dus heeft God ons gespaard en hem uitgeschakeld.
Maar hoe zit het met een toekomstige oorlog? Wat als de communistische Chinezen hier bij ons zouden binnenvallen? Aan wiens kant zou God staan? Zouden we dat weten? Een groot verschil tussen moderne oorlogen en Bijbelse oorlogen is dat je altijd wist aan wiens kant God stond, omdat de profeten het je vertelden. Gods profeet Mozes zei tegen Jozua:
1De HEERE, uw God, zal u brengen in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen. Hij zal vele volken van voor uw ogen verdrijven: de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten. Deze zeven volken zijn groter en machtiger dan u. 2Wanneer de HEERE, uw God, hen aan u overgegeven heeft en u ze verslaat, moet u hen volledig met de ban slaan. U mag geen verbond met hen sluiten en hun niet genadig zijn.
Dus dan weet je aan wiens kant God hier staat.
In de dagen van Jeremia, toen Jeruzalem onder het oordeel lag, had Babylon de inwoners van Jeruzalem in hun stad ingesloten. De stad werd belegerd. Natuurlijk wilden de mensen van Jeruzalem vechten. De profeet Jeremia zei:
2Zo zegt de HEERE: Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, door de honger of door de pest sterven, maar wie vertrekt naar de Chaldeeën, zal in leven blijven. Hij zal zijn leven tot buit hebben en in leven blijven. 3Zo zegt de HEERE: Deze stad zal zeker in de hand van het leger van de koning van Babel worden gegeven. Dat zal haar innemen.
Hij werd als verrader gevangengezet, omdat hij tegen de legers zei dat ze zich aan de vijand moesten overgeven. Het klinkt inderdaad alsof je je land ondermijnt als je zegt: ‘Ga je aan de vijand overgeven.’ Maar hij was de profeet van God. Hij wist wat er gaande was. Dit is Gods oordeel. Denk niet dat God je hier zal sparen.
Staat God in moderne oorlogen aan onze kant? #
Wat als er een moderne oorlog was? Neem bijvoorbeeld, zoals ik al zei, de jihadisten. Wat als de radicale islam met ons in oorlog was? Of wat als het Chinese invallers waren? Vast en zeker zou iedere christen die je in Amerika kent, zeggen: ‘God staat aan onze kant. We zijn niet bepaald meer een christelijk land, maar we zijn geen communisten en we zijn geen moslims. Wij zijn de goeden. Zij zijn de slechten.’ Dat kan zelfs waar zijn. Misschien zijn ze slechter dan wij, maar hoe zouden we kunnen weten of God ons oordeelt?
Wanneer we niet in oorlog zijn, hebben predikanten er geen moeite mee om te zeggen: ‘Amerika is rijp voor het oordeel.’ Maar laat het maar komen, en opeens gaan ze ertegen vechten. Het is interessant. Ze zeggen dat als God Amerika niet oordeelt, Hij Sodom en Gomorra zal moeten laten opstaan en Zijn excuses zal moeten aanbieden. Want we worden net zo slecht als zij, en Hij heeft hen er niet mee laten wegkomen. Predikanten zeggen graag hoe lang het oordeel al op zich laat wachten en hoezeer we God verachten. Maar laat God maar eens proberen dat oordeel te brengen, en we sturen onze zonen eropuit om het af te slaan. En misschien sneuvelen ze dan terwijl ze tegen God vechten.
Dit is een ingewikkelde ethische vraag. Wanneer mensen zomaar aannemen dat je bij iedere oorlog aan de kant van je land moet vechten, verdedigen ze dat door te zeggen: ‘Kijk naar de oorlogen in het Oude Testament. God stuurde Jozua, God stuurde David, God stuurde de Israëlieten om oorlog te voeren, dus natuurlijk is Hij ervoor.’ Hij stond aan hun kant. Dat is waar. En Hij was tegen hun vijanden. Als Hij aan onze kant staat, zal Hij ons ook bewaren, neem ik aan. De vraag is: hoe weten we dat?
We hebben geen profeten die onze president vertellen wanneer hij wel en wanneer hij niet oorlog moet voeren. Sterker nog, tegenwoordig hebben we niet eens een Congres dat hem dat vertelt. Hij begint er gewoon aan wanneer hij wil. Als het Congres hem dat tenminste opdroeg, zou het een wettige oorlog zijn, maar misschien geen ethisch verantwoorde oorlog. Het is nu eenmaal zo dat God de oorlogen die Hij goedkeurde, aan Zijn profeten bekendmaakte. Zo konden zij het volk van God vertellen of ze moesten vechten of niet moesten vechten.
Ik ken vandaag de dag geen enkele krijgsmacht op aarde die haar bevelen van profeten van God krijgt. Volgens mij handelen ze gewoon in het belang van hun eigen land. Als dat landsbelang toevallig onder het oordeel van God valt, dan ben je misschien wel tegen God aan het vechten, zonder dat je het weet. Dat is het probleem waar we mee zitten. Wie wil God in onze hedendaagse oorlogen oordelen?
De gemeente als internationaal volk van God #
Er zijn vandaag geen landen die Gods volk zijn. Israël is het enige land ter wereld dat ooit een politieke natie was die God als Zijn volk heeft aangewezen. Amerika heeft veel christenen gehad, maar er is nooit een tijd geweest waarin God Amerika aanwees met de woorden: ‘Dit is Mijn uitverkoren volk. Dit land hier is Mijn natie.’ En ook geen enkele andere natie. Er is geen natie op aarde waarvan gezegd kan worden dat het Gods natie is, omdat de gemeente Gods volk is, en zij niet aan één bepaald land verbonden zijn.
De gemeente is internationaal. De gemeente is wereldwijd. Het Koninkrijk van God bestaat uit mensen uit elk koninkrijk, elke stam, elke natie en elke taal. We wonen in afzonderlijke landen, onder hun regeringen, als ambassadeurs. We zijn hier pelgrims, maar we zijn ambassadeurs van God in een land waar we ons verblijf hebben. Wij hebben toevallig het geluk dat we in een aangenaam land wonen. Als je als lid van het Koninkrijk van God toevallig in Saoedi-Arabië woonde, zou dat niet erg leuk zijn. Of in China of Noord-Korea. Maar Amerika is een prettige plek om te wonen. Zo prettig dat we misschien zelfs bereid zijn iemand te doden om te voorkomen dat die het ons afneemt.
Maar is dat werkelijk wat God de gemeente heeft opgedragen? Komt het werkelijk op enige manier overeen met de oorlogen in het Oude Testament? Ik denk niet dat het daarmee overeenkomt. We weten bij een oorlog vandaag niet wie God oordeelt. Daar kom je achter door te zien wie er verliest. God gebruikt oorlog inderdaad, maar dat betekent niet dat Hij de mensen die Hij gebruikt, goedkeurt.
Christenen tegenover elkaar op het slagveld #
Hier is nog iets wat het heel moeilijk maakt om te weten hoe je over meevechten in een oorlog moet denken. Ik heb daar zelf eigenlijk gemengde gevoelens over. Ik kan deze kwestie echt van meer dan één kant bekijken. Ik worstel er al heel, heel veel jaren mee. Toen Israël tegen de Kanaänieten vocht, was het heel duidelijk dat Israël Gods volk was. De Kanaänieten waren de slechteriken. Als je met een nationaal leger meevecht, identificeer je je met de mensen naast wie je in de schuttersputten vecht. Jij dekt hen; zij dekken jou. Je bent solidair met de mannen die bij jou in de schuttersput zitten, tegenover de mannen in de schuttersput aan de andere kant van het veld. Je vereenzelvigt je met deze mannen, niet met die anderen. Dat gaat zelfs zo ver dat je die anderen doodt ter wille van deze mannen. Dat is vereenzelviging.
Maar met wie vereenzelvigen christenen zich? Met christenen. Stel dat er een oorlog was tussen ons en Rusland. Er zijn evenveel christenen in Rusland als in Amerika. De man op wie ik schiet, is misschien mijn broeder, en de man naast me in de schuttersput is misschien een satanist. Ben ik solidair met mijn landgenoten, ook als ze God haten, tegenover de vijand van mijn land, die misschien van God houdt? Dat wil zeggen, een christen die toevallig in Rusland geboren is, of zelfs in Duitsland.
Ik heb in 1974 echt gelogeerd bij een Duitse man die tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Duitse leger had gezeten. Een van de mannen op wie mijn vader zou hebben geschoten als ze elkaar op het slagveld waren tegengekomen. Ze zijn allebei christenen, baptisten. Het begint er echt vreemd uit te zien als je bedenkt: in een oorlog vandaag is mijn identiteit die van een gelovige. De andere gelovigen zijn mijn broeders. Heeft Jezus niet gebeden dat mijn eenheid met die persoon de manier zou zijn waarop de wereld zou weten dat Hij door God gezonden was? Heeft Jezus niet gebeden dat ik één zou zijn met deze broeders? Niet met die mannen in de schuttersput die atheïsten en perverselingen zijn. En sommigen van hen zijn christenen. Natuurlijk zijn er aan mijn kant ook christenen. Maar met welke groep hoor ik solidair te zijn?
Het was goed dat de Israëlieten zich met hun mede-Israëlieten vereenzelvigden. Het hele land was Gods volk, en geen van hun vijanden behoorde daartoe. Zulke oorlogen zijn er tegenwoordig niet meer. Er is geen land waarvan je kunt zeggen dat zijn nationale belang is: ‘Wij zijn Gods volk, en onze vijanden zijn allemaal slechteriken. Geen van hen behoort tot Gods volk.’ Wat als er aan die kant evenveel christenen zijn als aan deze kant? Dan zeg je: ‘God, laat mijn kogel alleen niet-christenen raken.’
Oorlog beoordelen onder andere omstandigheden #
Dit is een ethisch dilemma waar christenen voor staan. Ik ga het niet voor je oplossen, want het is heel moeilijk op te lossen. Maar ik breng het ter sprake omdat mensen de ethiek van christenen die meevechten in een oorlog vaak al te eenvoudig benaderen. Ze rechtvaardigen het gewoon door te zeggen: ‘Nou, kijk naar het Oude Testament. God keurde oorlog in het Oude Testament goed, dus daarmee is de zaak afgedaan. God verandert niet.’
Nee, Hij verandert niet, maar de omstandigheden zijn veranderd. Hij had in die dagen een volk dat een politieke natie was, bedreigd door andere politieke naties. Ze hadden in Israël ook rechtbanken en gevangenissen en dat soort dingen, die de gemeente niet beheert. De gemeente beheert geen rechtbanken en gevangenissen enzovoort. Wij hebben geen strafrechtelijk stelsel in het lichaam van Christus. Dat soort dingen hebben wij niet. Wij zijn als lichaam van Christus geen politieke eenheid. Maar Israël was dat wel. Israël was een natie en een aanbiddingsgemeenschap. De gemeente is een aanbiddingsgemeenschap die in seculiere landen leeft.
Omdat oorlog dus een zaak van nationaal belang is, moet je de ethische kant ervan heel zorgvuldig beoordelen voordat we zomaar besluiten: ‘Nou, ik ben opgeroepen voor militaire dienst. Dan zal ik maar gaan.’ Zelfs Augustinus, die deelname aan oorlog voor christenen aanvaardbaar en respectabel maakte door met de theorie van de rechtvaardige oorlog te komen, had richtlijnen voor een rechtvaardige oorlog waaraan maar heel weinig van de oorlogen die we ooit hebben gevoerd, zouden hebben voldaan. Ook in ons eigen land. Een atoombom op een Japanse stad gooien en iedereen in die stad uitroeien, past niet binnen de richtlijnen voor een rechtvaardige oorlog. Daarbij was de bescherming van burgers niet gewaarborgd. Er werd buitensporig geweld gebruikt. En ik ben hier niet om de politieke discussie te voeren over wat goed of fout was. Ik zeg alleen dat we strikt genomen de richtlijnen voor een rechtvaardige oorlog niet hebben gevolgd in enige oorlog die ik ken, behalve misschien de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Maar ik weet niet zeker of die ethisch verantwoord was, omdat we ons aan koningen behoren te onderwerpen. Wanneer we goedkeurend naar onze eigen geschiedenis kijken, beschouwen we veel dingen als vanzelfsprekend en geweldig. Maar als we die vanuit een Bijbels standpunt beoordelen, hebben christenen misschien niet altijd het juiste gedaan.
Begrip voor soldaten en gewetensbezwaarden #
Maar aan de andere kant is er zoveel onduidelijkheid over deze kwestie dat ik een christen die het verkeerde heeft gedaan niet hard kan veroordelen. Want ik leef in een tijd van vrede, waarin ik er rustig over kan nadenken. Ik heb de Bijbel er uitgebreid op bestudeerd, en ik kan nog steeds beide kanten zien. Ik kan nog steeds twee mogelijkheden zien. Dus wat moet je denken van een jongen van 21 die een oproep voor militaire dienst heeft gekregen, er niet goed over heeft nagedacht, en wiens land wordt bedreigd? Die komt gewoon meteen in actie, gaat erheen en doet het. Ik zeg dat wij christenen voorzichtig moeten zijn en mensen die het tegenovergestelde standpunt innemen niet moeten veroordelen.
Ik heb een vriend die inmiddels overleden is; hij stierf toen hij in de tachtig was. Tijdens de Eerste en de Tweede Wereldoorlog was hij baptistenpredikant. Hij was gewetensbezwaarde. Maar omdat hij niet in de oorlog wilde vechten, om redenen zoals die waarover ik het heb gehad, werd hij in de gevangenis gezet. Veel mennonieten, amish en andere wederdoperse groeperingen geloven niet in oorlog, en quakers geloven niet in het meevechten in een oorlog. Zij kwamen in staatsgevangenissen terecht omdat ze tijdens de Eerste Wereldoorlog niet ten oorlog wilden trekken.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de status van gewetensbezwaarde toegestaan, zodat je niet naar de gevangenis hoefde als je gewetensbezwaren had. Maar tijdens de Eerste Wereldoorlog bestond die mogelijkheid niet. Dus gingen veel christenen de gevangenis in en werden ze gemarteld. In de mennonitische literatuur staan interessante verhalen over enkele mannen die ze bij naam noemen en die in Amerikaanse gevangenissen zijn doodgemarteld, in Leavenworth en dergelijke plaatsen. Mennonitische jongens werden doodgemarteld omdat ze geen uniform wilden aantrekken en dat soort dingen. Dat was hun christelijke overtuiging.
Dit is dus een ingewikkelder kwestie dan de meeste christenen de moeite nemen te overdenken. Ik ga die niet oplossen, maar ik wil je wel laten weten dat je die niet gemakkelijk oplost door eenvoudigweg te zeggen: ‘Kijk, deze oorlogen in Jozua bewijzen dat God er voorstander van is dat Zijn volk in oorlogen vecht.’ Eén ding kunnen we zeggen: bij deze gelegenheid keurde Hij het goed. Maar je moet het haast van geval tot geval bekijken. Het is een van de neteligste ethische vraagstukken waarmee christenen te maken hebben.
Kanaän als beeld van rust #
We hebben het over de kwestie van de jihad gehad. We hebben het over de kwestie van oorlog gehad. Wat zijn de lessen van het boek? Het is ongetwijfeld de bedoeling dat Jozua in veel opzichten als een type van Christus wordt gezien, en we zullen proberen die te vinden terwijl we het boek doornemen.
Kanaän: waarvan is dat een type? Het wordt rust genoemd. In Deuteronomium en in Jozua, zelfs in enkele verzen die we al gelezen hebben, staat dat God het volk rust gaf van de oorlog. Voordat de kinderen van Israël Kanaän veroverden, zwierven ze door de woestijn. Eerst hadden ze slavernij gekend. Dat was niet rustgevend. Daarna zwierven ze eindeloos rond. Dat was niet rustgevend. Daarna voerden ze oorlog. Dat was niet rustgevend. Uiteindelijk veroverden ze het land en konden ze zich vestigen en zitten,
Maar zij zullen zitten, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, niemand zal ze schrik aanjagen, want de mond van de HEERE van de legermachten heeft het gesproken.
in een huis wonen en in vrede leven, zolang het volk godvruchtig bleef.
Ze kwamen tot rust na eigenlijk al die voorgaande eeuwen van onrust die ze hadden gekend sinds ze Kanaän hadden verlaten en naar Egypte waren gegaan. Of misschien zelfs vanaf de tijd van Abraham: hij kende ook niet echt rust; hij trok ook rond. Toen ze zich voorgoed in huizen in Kanaän vestigden, was dat de eerste keer dat Israël rust ervoer van oorlog of rondzwerven of slavernij of iets anders wat niet rustgevend was. Eindelijk kwamen ze tot rust, en de Bijbel noemt het vaak rust.
Ongeloof verhindert het binnengaan van de rust #
De schrijver van Hebreeën heeft het hierover, en hij heeft het over een geestelijke toepassing ervan. Die kun je, zoals bij de meeste dingen, op de ene of de andere manier opvatten. Er zijn, zoals over al het andere, twee verschillende opvattingen over de rust en wat die voorstelt. Maar als je naar Hebreeën hoofdstuk 4 kijkt, of eigenlijk eerst naar hoofdstuk 3 en dan verder naar hoofdstuk 4, dan staat er in hoofdstuk 3, vers 7, een lang citaat. Dit is Hebreeën 3:7. Daar begint een lang citaat uit Psalm 95, vers 7 tot en met 11. Het gaat als volgt. Er staat:
Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: Heden, indien u Zijn stem hoort,
Dus hij geeft aan dat deze Psalm door de Heilige Geest is geschreven.
7Want Hij is onze God en wij zijn het volk van Zijn weide en de schapen van Zijn hand. Heden, indien u Zijn stem hoort, 8verhard uw hart niet, zoals te Meriba, zoals in de dagen van Massa in de woestijn: 9daar stelden uw vaderen Mij op de proef, daar beproefden zij Mij, hoewel zij Mijn werk zagen. 10Veertig jaar heb Ik gewalgd van dit geslacht; Ik heb gezegd: Zij zijn een volk met een dwalend hart, en zíj kennen Mijn wegen niet. 11Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Mijn rust zullen zij nooit binnengaan!
Hij bedoelt Kanaän. Hij heeft het over die generatie die de verkenners naar Kanaän stuurde, het slechte verslag terugkreeg en weigerde naar binnen te gaan. Ze wekten Gods toorn op door Hem niet te geloven, en daarom zou die generatie Zijn rust niet binnengaan. Ze zouden Kanaän niet in mogen. Ze zouden in de woestijn sterven. Het zouden hun nakomelingen zijn die het land zouden beërven.
Hij haalt dit vers uit de Psalm aan, en dan zegt de schrijver in vers 12:
12Zie erop toe, broeders, dat er nooit in iemand van u een verdorven hart zal zijn, vol ongeloof, om daardoor afvallig te worden van de levende God; 13maar vermaan elkaar elke dag, zolang men van een heden kan spreken, opdat niemand van u verhard zal worden door de verleiding van de zonde. 14Want wij hebben deel aan Christus gekregen, als wij tenminste het beginsel van de vaste grond van het geloof tot het einde toe onwrikbaar vasthouden,
Terwijl er gezegd wordt:
7Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: Heden, indien u Zijn stem hoort, 8verhard dan uw hart niet, zoals bij de verbittering, op de dag van de verzoeking in de woestijn. 9Daar hebben uw vaderen Mij verzocht; zij hebben Mij op de proef gesteld en Mijn werken gezien, veertig jaar lang. 10Daarom ben Ik toornig geworden op dat geslacht en heb gesproken: Altijd dwalen zij met hun hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend. 11Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Mijn rust zullen zij niet binnengaan!
Hij haalt opnieuw Psalm 95 aan.
Hij zegt in vers 16:
16Want hoewel sommigen die stem gehoord hadden, hebben zij Hem verbitterd, maar niet allen die onder leiding van Mozes uit Egypte waren getrokken. 17Op wie is Hij dan veertig jaar lang vertoornd geweest? Was het niet op hen die gezondigd hadden, van wie de lichamen zijn gevallen in de woestijn? 18En aan wie heeft Hij gezworen dat zij Zijn rust niet zouden binnengaan, dan aan hen die ongehoorzaam geweest waren? 19Zo zien wij dat zij niet konden ingaan vanwege hun ongeloof.
De uitnodiging tot Gods rust blijft gelden #
Het volgende vers, hoofdstuk 4, vers 1:
Laten wij er dan beducht voor zijn dat iemand van u ooit schijnt achter te blijven, terwijl de belofte om in Zijn rust binnen te gaan nog van kracht is.
Wacht eens even. Waar haalt hij het idee vandaan dat er nog een belofte overblijft om Zijn rust binnen te gaan? De psalm die hij aanhaalde, ging over de rust, over het binnengaan in Kanaän, en over hoe God tegen degenen die niet geloofden had gezegd:
Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Mijn rust zullen zij nooit binnengaan!
Dus waar haalt hij het idee vandaan dat er nog steeds een belofte is?
Hij ziet het in de woorden in hoofdstuk 3, vers 7:
Als jullie vandaag Zijn stem horen, doe dan niet zoals zij.
Hij ziet dat als een uitnodiging. Zij konden de rust niet binnengaan, maar die uitnodiging wordt jou vandaag aangeboden. Als je niet doet wat zij deden, als je niet in opstand komt zoals zij, als je naar Zijn stem luistert, wat zij niet deden, als je gehoor aan Hem geeft, dan kun je die rust binnengaan.
De psalm zegt niet dat je dat kunt. De schrijver van Hebreeën leest dat erin, en daar haalt hij het vandaan. Hij zegt:
Er blijft dus een belofte gelden.
Dat hele spreken over ‘heden’:
Want Hij is onze God en wij zijn het volk van Zijn weide en de schapen van Zijn hand. Heden, indien u Zijn stem hoort,
is een uitnodiging.
1Laten wij er dan beducht voor zijn dat iemand van u ooit schijnt achter te blijven, terwijl de belofte om in Zijn rust binnen te gaan nog van kracht is. 2Want ook aan ons is het Evangelie verkondigd, evenals aan hen. Maar het gepredikte woord bracht hun geen voordeel, omdat het niet met geloof gepaard ging bij hen die het hoorden.
Dat wil zeggen, zij gingen het beloofde land, of de rust, niet binnen omdat ze geen geloof hadden. Laten we niet dezelfde fout maken.
Wij die tot geloof gekomen zijn, gaan immers de rust binnen, zoals Hij gezegd heeft: Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Mijn rust zullen zij niet binnengaan! En dat terwijl Zijn werken al sinds de grondlegging van de wereld voltooid zijn.
Kijk eens wat verderop, naar hoofdstuk 4, vers 9 van Hebreeën:
Er blijft dus nog een sabbatsrust over voor het volk van God,
Eén ding dat we hier kunnen zien, is dat de schrijver van Hebreeën de Israëlieten en hun gelegenheid om Kanaän binnen te gaan, ziet als een gelegenheid die overeenkomt met onze eigen gelegenheid om iets binnen te gaan wat door Kanaän wordt voorgesteld. Wat Kanaän voor hen was, rust, stelt iets rustgevends voor ons voor. Er blijft een rust over voor het volk van God om binnen te gaan. Hij zegt:
9Er blijft dus nog een sabbatsrust over voor het volk van God, 10want wie Zijn rust binnengegaan is, die heeft zelf ook van zijn werken gerust, zoals God van de Zijne. 11Laten wij ons dan beijveren om die rust binnen te gaan, opdat niemand door het volgen van dit voorbeeld van ongehoorzaamheid ten val zal komen.
Laten we ons beijveren om niet na te laten die rust binnen te gaan.
Waarom Kanaän geen beeld van de hemel is #
Wat is die rust dan? Wat stelt Kanaän voor? In veel christelijke liederen en veel christelijke literatuur is het heel gebruikelijk om te zeggen dat Kanaän de hemel is. Dus wanneer je de Jordaan oversteekt, sterf je. Het oversteken van de Jordaan is de dood, en je gaat Kanaän binnen, het beloofde land, de hemel.
Maar dat lijkt niet te kloppen. Het lijkt niet in overeenstemming te zijn met de feiten, en het lijkt ook niet overeen te stemmen met wat de schrijver van Hebreeën zegt. Om te beginnen kan Kanaän eigenlijk geen type van de hemel zijn, want toen ze eenmaal Kanaän waren binnengegaan, voerden ze oorlogen. De hemel is geen plaats waar we oorlogen zullen voeren.
Het binnengaan van Kanaän ging gepaard met oorlogvoering. Het was geen plaats waar het kwaad definitief was uitgeroeid, want zelfs nadat de oorlogen waren gewonnen, waren er nog Kanaänitische steden in hun midden en moesten er later nog veroveringen plaatsvinden. Het was niet de uiteindelijke bestemming van het volk van God. Het was geen plaats waar ze onvoorwaardelijk veilig waren. Wanneer wij naar de hemel gaan, zullen we er niet uitgezet worden. Maar deze mensen kregen te horen dat ze uit het land gezet konden worden als ze zich niet beter gedroegen dan de Kanaänieten.
Bovendien staat er in hoofdstuk 4, vers 3 van Hebreeën:
Wij die geloven, doen dat wel.
tegenwoordige tijd:
Wij die tot geloof gekomen zijn, gaan immers de rust binnen, zoals Hij gezegd heeft: Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Mijn rust zullen zij niet binnengaan! En dat terwijl Zijn werken al sinds de grondlegging van de wereld voltooid zijn.
Dus niet: ‘Dat zullen we doen wanneer we sterven.’ We doen het wanneer we geloven. In vers 9 of 10 staat:
9Er blijft dus nog een sabbatsrust over voor het volk van God, 10want wie Zijn rust binnengegaan is, die heeft zelf ook van zijn werken gerust, zoals God van de Zijne.
wat een verleden tijd is. Sommigen van ons hebben dat al gedaan.
Rust door het volbrachte offer van Christus #
Wat betekent dat? Volgens mij hebben christenen soms een wetticistische denkwijze die ze niet zouden moeten hebben. Dat was het probleem. Dit waren christenen die teruggingen om Joodse wetten aan te nemen. Daarom is het boek Hebreeën geschreven: om hen daarvan te weerhouden. Maar ook als het geen Joodse wetten zijn, kunnen het andere wetten zijn. Het kan elke vorm van wetticisme zijn. We kunnen het gevoel krijgen dat we aan een bepaalde maatstaf gaan voldoen en ons behoud gaan verwerven, het verdienen, God op de een of andere manier tevreden met ons maken door ons aan een stelsel van regels te houden, door aan bepaalde vereisten te voldoen. Met andere woorden, door onze eigen prestaties, door onze eigen werken. En de schrijver zegt dat de mens die Gods rust binnengaat, daarmee is opgehouden. Hij heeft zijn eigen werken opgegeven en rust in Gods rust.
Wat is Gods rust? Later, in Hebreeën hoofdstuk 10, bespreekt hij in welke opzichten Jezus op de hogepriester in het Oude Testament lijkt en in welke opzichten Hij van hem verschilt. De hogepriester ging het heilige der heiligen binnen en bracht offers. Daarin lijkt Christus op hem. Maar het verschil is, zo staat er in Hebreeën 10, dat Christus dat niet elk jaar hoeft te doen. Hij zei:
De priesters staan dagelijks in de tempel en brengen telkens weer dezelfde offers, die de zonden niet kunnen wegnemen.
Maar over Jezus staat er daarentegen:
Hij bracht eens en voor altijd het offer van Zichzelf en ging daarna zitten.
Hij zegt dat het een tegenstelling is tussen staan en zitten. De priesters in de tempel staan dagelijks. Ze kunnen bij wijze van spreken nooit gaan zitten. Ze kunnen nooit klaar zijn. Waarom? Omdat hun werk nooit af is. Er moet altijd weer een offer worden gebracht, dus je ziet hen nooit rusten. Het enige meubelstuk dat niet in de tempel stond, was een stoel. Er was een tafel, een lamp, geen stoel. Ze gingen daar nooit zitten. Het was werken, werken, werken. En er is altijd meer werk te doen, dus staan ze voortdurend.
Maar de tegenstelling is dat Jezus één offer bracht en daarna ging zitten. Waarom ging Hij zitten? Omdat er geen werk meer te doen is. Hij bracht eens en voor altijd één offer voor de zonden, en daarna rustte Hij. Anders dan de priesters onder de oude wet: onder de wet kon je nooit rusten. Er is altijd meer werk te doen. Altijd weer een offer. Altijd weer iets waaraan je moet voldoen. Weer een vereiste. Maar Jezus voldeed in één keer aan alle vereisten. Toen rustte Hij. Hij ging Zijn rust binnen. Hij zit aan de rechterhand van God. Ja, Hij pleit voor ons, enzovoort, maar Hij rust van Zijn werk. En wij gaan Zijn rust binnen door te vertrouwen op de toereikendheid van het werk dat Hij eenmaal heeft gedaan, en wij houden op met onze eigen werken.
Aanvaard in Christus: werken uit dankbaarheid #
Zolang je op welke manier dan ook wettisch denkt, denk je: ‘God zal mij eerder aanvaarden als ik een beter mens ben, als ik meer van dit soort dingen doe. Als ik meer in de Bijbel lees, als ik meer vast, als ik meer goede daden doe, dan zal God meer van mij houden.’ Nee, Hij zal niet meer van je gaan houden. Hij zou er meer behagen in kunnen hebben, maar dat zal geen enkele invloed hebben op de vraag of je aanvaardbaar bent.
tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde.
Je bent aanvaard in Jezus, of helemaal niet. Het ligt in wat Christus heeft gedaan. Het ligt in Zijn werk.
Het is klaar.
Hij rust als het ware. Hij ging zitten omdat het werk af was. Dan is het aan ons om in Hem te zitten in de hemelse gewesten in Christus, om ook die rust binnen te gaan. Er staat in Hebreeën 4:10:
want wie Zijn rust binnengegaan is, die heeft zelf ook van zijn werken gerust, zoals God van de Zijne.
Dus moeten we ons beijveren om die rust binnen te gaan. Dit gaat niet over naar de hemel gaan. Dit gaat over zover komen dat we de genade van God ten volle waarderen en er volledig op vertrouwen.
Doen we dan nog werken? Ja, maar niet onze eigen werken. We doen de werken van God die Hij ons te doen geeft. Hij werkt door ons heen.
want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen.
Dat zijn geen werken die we zenuwachtig doen in een poging aanvaardbaar te worden. Dat zijn de werken van dankbaarheid. Dat zijn de werken van liefde. Dat zijn de werken die de vrucht zijn van het feit dat we voor God aanvaardbaar zijn.
Wanneer je weet dat je vanwege Christus voor God aanvaardbaar bent, zijn alle werken die je doet eenvoudig een geschenk uit liefde aan God, zonder voorwaarden eraan te verbinden. Maar als je niet zeker weet of je aanvaardbaar bent, dan verbind je aan al je werken voorwaarden. ‘Ik hoop dat God hierop let, zodat ik hiervoor een beloning krijg. Misschien telt dit mee. Een gouden sterretje als sticker voor mij, zodat er misschien, wanneer ik in de hemel kom en we voor het oordeel staan, genoeg gouden sterretjes op mijn kaart zitten om mij binnen te laten.’
Die manier van denken bestaat onder christenen, maar dat is niet de rust die God voor ogen heeft. We gaan Gods rust binnen. Het is de rust van het geloof. En hij zegt dat de Hebreeën die rust niet binnengingen omdat ze geen geloof hadden. Aan hen was een belofte gedaan, net als aan ons, maar ze hadden er geen baat bij omdat ze die niet met geloof vermengden. Wanneer je vertrouwt op het volbrachte werk van Christus, ga je die rust binnen waarvan Kanaän een type is.
En de demonische machten zijn er om je tegen te houden wanneer je op dat punt wilt komen. Onze strijd tegen die machten is nodig om deze verleiding af te slaan: om het altijd weer om ons te laten draaien, om wat wij doen en wat wij tot stand brengen en in hoeverre wij aan de eisen voldoen.
Het is heel gebruikelijk dat predikers, en zelfs schrijvers van het Nieuwe Testament, over Kanaän of de verovering van Kanaän spreken als iets dat een parallel heeft in dit christelijke leven. Alleen ziet niet iedereen er hetzelfde in. Sommigen zien het eenvoudig als naar de hemel gaan. Maar veel predikers en leraren erkennen dat dit eigenlijk niet gaat over iets wat later komt. Het is iets in dit leven.
Wij die tot geloof gekomen zijn, gaan immers de rust binnen, zoals Hij gezegd heeft: Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Mijn rust zullen zij niet binnengaan! En dat terwijl Zijn werken al sinds de grondlegging van de wereld voltooid zijn.
Zo gaan we naar Kanaän kijken wanneer we het boek Jozua doornemen. We zullen zien dat de lessen gaan over hoe wij de zegen van wat Christus heeft volbracht ten volle leren waarderen.
Herkomst
Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Joshua Introduction (Part 2). Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/jozua/inleiding-deel-2
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/jozua/inleiding-deel-2.pdf?v=fe3bd13c7d74
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Jozua - Lezing 04 - Inleiding deel 2.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/jozua/inleiding-deel-2.mp3?v=956095000fdb
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Jozua - Lezing 04 - Inleiding deel 2.mp3
Jozua
Alle lezingen over Jozua. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 Historische boeken Inleiding deel 1 De Griekse Bijbel kreeg een andere indeling
- 2 Historische boeken Inleiding deel 2 Israël tussen Egypte, Assyrië en Babylon
- 3 Inleiding deel 1 God geeft Israël het beloofde land
- 4 Inleiding deel 2 God laat de Kanaänieten uitroeien
- 5 1 Jozua moet het volk het land binnenleiden
- 6 2-3 Rachab liegt om de verkenners te redden
- 7 4-6 Israël trekt Kanaän binnen, Jericho valt
- 8 7-8 Door Achans diefstal verliest Israël bij Ai
- 9 9 Jozua houdt zijn eed aan de Gibeonieten
- 10 10-11 De zon staat stil boven Gibeon
- 11 12-15 Het land verdeeld, Kaleb krijgt Hebron
- 12 16-22 De stammen krijgen hun eigen stuk land
- 13 23-24 Jozua waarschuwt voor verlies van het land
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/jozua/inleiding-deel-2.srt?v=d441b90a098a
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Jozua - Lezing 04 - Inleiding deel 2.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/jozua/inleiding-deel-2.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- Deuteronomium 9:4-5
- Ezechiël 18:4
- Genesis 15:13-16
- Leviticus 18:24-25
- Leviticus 18:7
- Leviticus 18:21-23
- Leviticus 18:25
- Jeremia 18:1
- Jeremia 18:2-3
- Jeremia 18:4
- Jeremia 18:4-10
- Jona 3:10
- Psalmen 139:19-22
- Lukas 6:26
- 1 Korinthe 4:10
- 2 Korinthe 10:4
- Efeze 6:12
- Psalmen 149:5
- Mattheüs 28:19
- Psalmen 149:5-9
- Hebreeën 4:12
- Johannes 12:31
- Johannes 16:8-11
- Jesaja 10:15
- Habakuk 1:13
- Habakuk 2:7-8
- Deuteronomium 7:1-2
- Jeremia 38:2-3
- Micha 4:4
- Hebreeën 3:7
- Psalmen 95:7-11
- Hebreeën 3:12-14
- Hebreeën 3:7-11
- Hebreeën 3:16-19
- Hebreeën 4:1
- Psalmen 95:11
- Psalmen 95:7
- Hebreeën 4:1-2
- Hebreeën 4:3
- Hebreeën 4:9
- Hebreeën 4:9-11
- Hebreeën 4:9-10
- Hebreeën 10:11
- Hebreeën 10:12
- Efeze 1:6
- Hebreeën 4:10
- Filippenzen 2:13