1 Korinthe 14:20-37
Paulus begrenst tongentaal in de gemeente
Meer bij deze lezing
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/1-korinthe/14-20-37.pdf?v=aeb855ee34c5. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/1-korinthe/14-20-37.
Samenvatting
Tongentaal, profetie en de opbouw en orde van de gemeente.
Lees de volledige samenvatting
Steve Gregg bespreekt Paulus’ aanwijzingen voor tongentaal en profetie, waarbij de opbouw van de gemeente en een ordelijk verloop van de samenkomst centraal staan. Hij onderzoekt verschillende verklaringen voor het citaat uit Jesaja en de schijnbare tegenstrijdigheid tussen tongentaal als teken voor ongelovigen en de overtuigende werking van profetie. Ook overweegt hij of de precieze beperkingen op het spreken vooral op de wanorde in Korinthe waren toegesneden, en legt hij de onderwerping van de geesten van profeten uit als onderwerping aan het oordeel van andere profeten. Ten slotte betoogt hij dat het zwijggebod voor vrouwen waarschijnlijk verstorende vragen betreft, terwijl hij vasthoudt aan blijvende verschillen tussen mannen- en vrouwenrollen en vrouwen uitsluit van het ambt van oudste of voorganger.
Samenkomen om elkaar op te bouwen #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we 1 Korinthe 14, vers 20 tot en met vers 37.
Ik ben altijd teleurgesteld als ik een bijeenkomst niet aan het einde van een hoofdstuk kan afsluiten. Bij 1 Korinthe heb ik in deze cursus een aantal keren moeten stoppen voordat een hoofdstuk helemaal behandeld was. Ik denk niet dat dat echt kwaad kan. Het is gewoon een teleurstelling, omdat het er zo netjes uitziet als je hele hoofdstukken behandelt, in plaats van nu de draad weer op te pakken bij vers 20 van hoofdstuk 14. Maar het is nu eenmaal zo.
Dat betekent natuurlijk dat ik ons weer even moet bijpraten. Het is namelijk alweer een tijd geleden dat we in hoofdstuk 14 bezig waren, en sindsdien is er veel gebeurd in ons leven. We moeten onze gedachten hier weer op richten. We zijn in het laatste deel van hoofdstuk 14. Eigenlijk moeten we nog precies de helft behandelen. We hebben de vorige keer de helft behandeld en hebben nog de helft te gaan.
We komen bij de afsluiting van Paulus’ uitvoerige bespreking van geestelijkheid, die aan het begin van hoofdstuk 12 begon. Het gaat daarbij vooral om de rol van de geestelijke gaven in het geestelijke leven van de gelovige en van de gemeente. Paulus is vooral bezorgd om het welzijn van de gemeente in het bijzonder. Het welzijn van de gemeente is heel duidelijk onlosmakelijk verbonden met het geestelijke welzijn van de afzonderlijke mensen in de gemeente. Maar Paulus zegt dat het niet genoeg is dat afzonderlijke mensen worden opgebouwd. Ook de gemeente moet worden opgebouwd. Dat is tenminste wat er hoort te gebeuren als de gemeente samenkomt.
We begrijpen, hoop ik, dat we de gemeente zijn, of we nu bij elkaar zijn of niet. Als God op de aarde neerkijkt, ziet Hij een lichaam. Hij ziet een bruid. Hij ziet elke dag van de week wat we de ware gemeente zouden moeten noemen, ook wanneer ze niet bij elkaar zijn. Natuurlijk zijn er waarschijnlijk op elk moment van elke dag ergens ter wereld christenen bij elkaar. Maar ook wanneer wij zelf niet bij elkaar zijn, maken we deel uit van de gemeente.
Als de gemeente samenkomt, is dat om bijzondere redenen. Als we niet bij elkaar zijn, leven we in de gewone wereld, maar we leven daarin als christenen en we leven tot eer van God. Als we bij elkaar komen, hebben we daar bijzondere redenen voor: wederzijdse bemoediging, onderwijs, gezamenlijke aanbidding, enzovoort. Maar Paulus geeft aan dat de voornaamste reden waarom de gemeente samenkomt, is om elkaar op te bouwen.
Het gevolg is dat, als we elkaar opbouwen, ik ook opgebouwd zal worden. Ik hoef me er niet druk om te maken dat ik daarheen ga om mezelf op te bouwen. Als ik daarheen ga om de gemeente als geheel op te bouwen, en iedereen doet dat, dan maak ik deel uit van de gemeente die opgebouwd zal worden. Paulus beschouwt het als de reden voor het samenkomen dat je gezamenlijk deelneemt aan het geven en ontvangen van een zegen die de hele gemeente samen zal ervaren. Het gaat er niet alleen om dat je zelf een zegen ontvangt.
Blijven samenkomen om anderen te dienen #
Dit is een argument om naar de gemeente te blijven gaan, ook als je niet het gevoel hebt dat je persoonlijk gezegend wordt. En dat laatste is maar al te vaak het geval. Mensen gaan niet meer naar gemeenten omdat ze er geen zegen uit ontvangen. Ik geloof persoonlijk dat je de onderlinge bijeenkomst nooit moet nalaten, ook al leer je in veel gevallen, wanneer je samenkomt, persoonlijk niets of haal je er niets uit. Zoals er staat:
Laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar elkaar aansporen, en dat zoveel te meer als u de grote dag ziet naderen.
Jouw aanwezigheid daar en wat je te bieden hebt, zullen misschien iemand anders helpen, aangenomen dat je tijdens een samenkomst de gelegenheid krijgt om iets bij te dragen. Dat is voldoende reden om daar te zijn, en daarom ga ik naar de gemeente.
Ik moet zeggen dat ik vaak in gemeenten ben geweest waar ik zelf niet bijzonder veel aan heb. Als de hele reden om naar de gemeente te gaan zou zijn dat ik opgebouwd word, dan zou ik vermoedelijk lang niet zo vaak gaan als ik nu doe. Maar ik ben van mening dat ieders aanwezigheid eraan bijdraagt dat het lichaam van Christus gezamenlijk zichtbaar wordt. Ook vergroot die aanwezigheid de kans dat er allerlei verschillende zegeningen zijn die de gemeente als geheel gezamenlijk kan ontvangen. Al is het alleen maar het geld dat ik in de collecte doe, ook dat is een bediening. Als ik niet in de gemeente was, zouden ze dat niet krijgen.
Samenkomen met de heiligen is voor christenen iets wat regelmatig gebeurt en belangrijk is. In Hebreeën 10 staat dat we het samenkomen als christenen niet moeten nalaten. Paulus gaat ervan uit dat de Korinthiërs dit doen. Maar wanneer velen van hen dat doen, is hun instelling dat ze alleen maar willen komen om, zo moeten we veronderstellen, óf een zegen te ontvangen óf indruk te maken. Paulus zegt niet wat hun motief is. Misschien vindt hij dat het hem niet toekomt om hierin over hun hart te oordelen.
Wanorde en wedijver in de samenkomst #
Hun gedrag is in elk geval niet zoals het hoort en brengt niet de resultaten voort die een samenkomst zou moeten voortbrengen. Wat hij lijkt te willen corrigeren, is hun instelling. Uit de aanwijzingen en beperkingen die hij geeft, klinkt het alsof ze heel veel in tongen spreken, mogelijk velen tegelijk.
Ik heb leraren horen zeggen dat ze dachten dat er in de gemeente in Korinthe bijna een wedstrijd gaande was om elkaar te overschreeuwen en elkaar te overtreffen door te laten zien hoe ze in tongen konden spreken, enzovoort. Vroeger vroeg ik me af of dat werkelijk mogelijk was. Konden christenen werkelijk zo onvolwassen zijn? En was het denkbaar dat dit beeld dat sommige leraren hadden geschetst, overeenkwam met wat er werkelijk in Korinthe gebeurde?
Ik ben eens naar een bijeenkomst geweest, en dat was eigenlijk geen pinksterbijeenkomst. Het was zelfs een bijeenkomst waar men het spreken in tongen niet onderschreef. In de meeste opzichten was de bijeenkomst christelijk, maar ze stond onder leiding van iemand die een soort sekteleider was. Al deze mensen beleden in Christus te geloven. Een onderdeel van de bijeenkomst was dat sommige mensen spontaan opstonden en iets uit de Schrift voorlazen. Kennelijk was er onder hen een gebruik ontstaan waarbij groepjes mensen die bij elkaar zaten, opstonden en in koor dezelfde Schriftpassage voorlazen, ten behoeve van de hele samenkomst.
Maar deze samenkomst was volkomen chaotisch. In het ene deel van de zaal stonden groepjes mensen samen op om een Schriftgedeelte voor te lezen, en in een ander deel van de zaal stond een ander groepje op om een andere Schriftpassage hardop voor te lezen. Dat deden ze tegelijkertijd. Je kunt je voorstellen hoe zoiets per ongeluk kan gebeuren: sommige mensen staan op en beseffen niet dat een ander groepje ook gaat opstaan. Maar terwijl de ene groep iets voorlas, las een andere groep vlakbij iets anders voor. Ze stonden letterlijk te schreeuwen en probeerden elkaar te overstemmen, zodat wat zij voorlazen boven het voorlezen van de anderen uit te horen zou zijn. Dat was kenmerkend voor die bijeenkomst. Dat soort dingen gebeurde daar.
Ik dacht: er zijn blijkbaar mensen die vleselijk zijn. Er zijn blijkbaar mensen die geen voeling hebben met wat de Geest van God doet wanneer Hij de leiding heeft over een bijeenkomst. Er zijn mensen die niet weten dat:
Want God is geen God van wanorde, maar van vrede, zoals in alle gemeenten van de heiligen.
Het is mogelijk dat de Korinthiërs dezelfde fout maakten.
In welke mate ze dat deden, kunnen we niet zeggen. Het kan een hypothetische situatie zijn, maar Paulus zegt in vers 23:
Als nu de hele gemeente samen zou komen, en allen spraken in andere talen, en er kwamen niet-ingewijden of ongelovigen binnen, zouden zij dan niet zeggen dat u buiten zinnen bent?
En de strekking is kennelijk dat ze dat allemaal tegelijkertijd doen.
Of hij beschrijft wat er werkelijk in Korinthe gebeurde, of misschien een situatie die erger was dan wat er werkelijk bij hen speelde, maar waar hun praktijken wel toe konden leiden, dat weet ik niet. Maar ik ben beslist in bijeenkomsten geweest waar de gaven op zo'n manier tot uiting kwamen dat ik, als ik kritischer was, zou moeten zeggen dat ze buiten zinnen waren. Misschien waren ze dat zelfs wel, maar ik weet het niet.
Verstaanbare woorden bouwen de gemeente op #
Hoe dan ook, Paulus probeert hier aanwijzingen te geven om orde in de gemeente te brengen en te ontdekken hoe de gaven op de juiste manier gebruikt moeten worden. Hij heeft in hoofdstuk 13 gezegd dat elk gebruik van de gaven zonder liefde waardeloos is. Dat betekent niet dat je de gaven moet wegdoen en in plaats daarvan liefde moet hebben. Het betekent dat de gaven gegeven zijn om elkaar in liefde te dienen. Dus wanneer je samenkomt en iets te zeggen hebt, zorg er dan voor dat je het doet om anderen op te bouwen, en niet alleen om aandacht voor jezelf te krijgen of zelf een zegen te ontvangen.
Dat heeft hij steeds gezegd. In de laatste twee verzen die we gelezen hebben, vers 18 en 19, zegt hij bijvoorbeeld:
Ik dank mijn God dat ik in meer andere talen spreek dan u allen.
Hij bevestigt dus dat het spreken in tongen iets goeds is. Hij doet het zelf heel veel.
De spreker volgt hier de Engelse formulering ‘ik spreek meer in tongen dan u allen’. Het Nederlandse citaat hierboven luidt ‘ik spreek in meer andere talen dan u allen’, waardoor de nadruk anders ligt.
Met ‘in de gemeente’ bedoelt hij hier: wanneer de gemeente samen is.
In de gemeente echter wil ik liever vijf woorden spreken met mijn verstand, om ook anderen te onderwijzen, dan tienduizend woorden in een andere taal.
Er zijn beslist verschillende persoonlijkheden en temperamenten in de gemeente. Ik ken mensen die veel liever tienduizend onverstaanbare woorden in de gemeente zouden spreken, omdat ze daar een soort roes van krijgen, dan vijf verstaanbare woorden. Maar Paulus hechtte in de gemeente meer waarde aan het verstand dan sommige mensen die meer op hun gevoel afgingen. Hoewel hij in zijn binnenkamer misschien tienduizend woorden in een onbekende tong sprak, zag hij er in de gemeente het nut niet van in.
Voor zover we weten, heeft hij eigenlijk nooit in het openbaar in tongen gesproken. We hebben daar geen verslag van. Het is interessant dat hij zei dat hij meer in tongen sprak dan zij allemaal. Dat is iets verbazingwekkends als je bedenkt hoe weinig hij er verder ook maar ergens over te zeggen had. Hij sprak elders nooit over het spreken in tongen. Je leest in het boek Handelingen nergens dat hij in tongen sprak. Hij moet het wel gedaan hebben, maar hij sprak er bijna nooit over. Het was niet iets waarop hij in zijn eigen leven de aandacht vestigde.
Hij noemt het hier omdat hij het spreken in tongen in de gemeente in Korinthe tot op zekere hoogte aan banden lijkt te leggen. Degenen die het spreken in tongen als een kenmerk van ware geestelijkheid beschouwden, hadden zijn aanwijzingen misschien naast zich neergelegd. Ze zouden kunnen denken: ‘Paulus is gewoon jaloers omdat hij niet in tongen spreekt. Hij is iemand die vooral met de leer bezig is.’
‘Hij is iemand die vooral met de leer bezig is. Misschien heeft hij deze gave niet, en daarom kleineert hij die en beseft hij niet dat het spreken in tongen het ware kenmerk van echte geestelijkheid is.’ Nou, hij haalt beslist elk argument van dat soort onderuit dat iemand tegen hem zou willen aanvoeren, door te zeggen:
Ik spreek meer in tongen dan jullie allemaal.
Het ontbreekt hem niet aan die gave. Maar zijn houding is dat het niet zo heel belangrijk is om dat in de gemeente te doen. Jezelf in afzondering opbouwen, daar is niets mis mee. Maar in de gemeente heeft het geen nut, tenzij er een uitlegging is. Dat heeft hij al die tijd al gezegd.
Volwassen denken en onschuldig zijn in kwaad #
Nu vers 20:
Broeders, word geen kinderen in uw denken, maar wees kinderlijk in de slechtheid, en word in uw denken volwassen.
Wat hij zegt, is misschien hetzelfde als wat hij aan het einde van hoofdstuk 13 zei:
maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, zal wat ten dele is, tenietgedaan worden.
Hoofdstuk 13, vers 10. Vervolgens had hij in vers 11 gezegd:
Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, overlegde ik als een kind, maar nu ik een man geworden ben, heb ik het kinderlijke tenietgedaan.
Eén ding dat hij heeft afgelegd, is een kinderlijk begrip. Hij heeft dat ongetwijfeld vervangen door een volwassener begrip. Nu zegt hij tegen hen dat zij hetzelfde moeten doen: wees volwassen in je begrip. Het is prima om kleine kinderen te zijn wat kwaadaardigheid betreft. Als het om zonde gaat, is het iets prachtigs om je onschuld en je naïviteit te bewaren. Er is zeker niets mis mee als je niet op de hoogte bent van hoe smerig de wereld zich gedraagt. Paulus zei zelfs ergens anders, volgens mij in Efeze 5:
Want wat heimelijk door hen gedaan wordt, is te schandelijk om zelfs maar te vertellen.
Je hoeft je niet te schamen als je het niet begrijpt wanneer iemand een schuine mop vertelt. Toen ik op de middelbare school zat, groeide ik in mijn gezin behoorlijk beschermd op. Ik begreep niet alle moppen die ik hoorde. Maar ik moet zeggen dat ik me daar een beetje voor schaamde voordat ik met de Geest vervuld was. Ik dacht: ‘Tjonge, wat ben ik naïef. Ik wil niet dat iemand dat merkt.’ Ik deed altijd alsof ik het begreep, wat natuurlijk echt heel dom was. Maar dat kwam doordat ik niet begreep dat er niets beschamends aan is om kleine kinderen te zijn wat het kwaad betreft. Het strekt iemand juist tot eer als hij zich niet in de diepten van de zonde heeft verdiept, enzovoort, en als hij niet vertrouwd is geraakt met al het verderf van de wereld.
Maar wat geestelijk begrip betreft, heeft het geen waarde om een klein kind te zijn. Het is niet prijzenswaardig om eenvoudigweg niet op de hoogte te zijn of niet te zijn gegroeid in je kennis.
De wet als naam voor het Oude Testament #
Vers 21:
Het staat in de wet.
Hier zien we het woord ‘wet’ gebruikt op een van de manieren waarop Paulus het gebruikt. Hij gebruikt het woord op allerlei manieren, maar het citaat dat hij ons geeft, komt uit Jesaja. Dat behoort niet tot wat wij de Wet zouden noemen. Bij de Wet denken we aan de tien geboden, aan het grotere geheel van voorschriften en andere dingen die God in het Oude Testament gaf, of soms aan de Pentateuch als geheel. De eerste vijf boeken, de Thora, worden ook de Wet genoemd. Paulus gebruikt het woord ‘Wet’ in zijn geschriften op al die manieren. In verschillende verbanden gebruikt hij het woord op verschillende manieren.
Hier gebruikt hij het woord ‘Wet’ echter eenvoudigweg voor het hele Oude Testament, zoals hij dat ook in Romeinen hoofdstuk 3 doet. Zoals ik al zei, doet hij dat ook in Romeinen 3. Daar citeert hij volgens mij vier of vijf Schriftplaatsen uit de Psalmen en één uit Jesaja, en noemt dat wat de Wet leert. In die passage citeert hij niets uit wat de Thora zegt. Hij citeert uit de Psalmen en uit de profeten, en hij noemt dat de Wet. Hier citeert hij ook uit Jesaja en duidt hij dat aan als de Wet.
Ik wil je er dus op bedacht maken dat het woord ‘wet’, wanneer je het tegenkomt, afhankelijk van het verband allerlei dingen kan betekenen. In dit geval betekent het zelfs het hele Oude Testament, met inbegrip van de profeten. Hij citeert hier uit de boeken van de profeten, en toch duidt hij dat aan als de Wet.
Jesaja over onderwijs aan onwillige hoorders #
In de wet staat geschreven: Door mensen die een andere taal spreken, en door andere lippen zal Ik spreken tot dit volk, en ook dan zullen zij niet naar Mij luisteren, zegt de Heere.
Paulus haalt in 1 Korinthe 14:21 Jesaja 28:11–12 aan. De spreker bespreekt hier hoe die aanhaling zich verhoudt tot de tekst in Jesaja.
Het citaat komt uit Jesaja 28, vers 11 en 12. Het komt niet helemaal overeen met de tekst zoals je die zou aantreffen als je die passage zou opslaan. Die zou niet helemaal zo luiden. De Masoretische tekst en de Septuaginta spreken er wel over dat God tot dit volk spreekt door mensen met andere talen die hun onbekend zijn. Maar het citaat komt niet precies overeen met de Septuaginta of de Masoretische tekst. Het is niet precies bekend uit welke vertaling Paulus citeert. Misschien parafraseert hij zelfs.
Maar als je de passage in Jesaja in haar verband leest, zou je niet de indruk krijgen dat Jesaja het over de gave van tongen heeft. Toch past Paulus die hier duidelijk toe op de gave van tongen. Wat er in Jesaja 28 eigenlijk wordt gezegd, is enigszins verwarrend. Er zijn verschillende theorieën over wat er in deze verzen in Jesaja 28 werkelijk aan de hand is, waaronder enkele die onder geleerden de overhand hebben.
Want als we bij vers 9 beginnen, krijgen we wat de woorden lijken te zijn van Jesaja's critici over hemzelf, of wat sommigen daarvoor houden. Zij zeggen:
Wie kan Hij dan de kennis bijbrengen? Wie kan Hij dan het gehoorde doen begrijpen? Wie net van de moedermelk af zijn, wie net van de borst zijn afgehaald?
Zijn critici zeggen: ‘Aan wie zal Jesaja kennis onderwijzen?’
In de uitleg die de spreker hier bespreekt, verwijst ‘hij’ in Jesaja 28:9 naar Jesaja. Het Nederlandse citaat gebruikt ‘Hij’, met een hoofdletter die naar God verwijst.
Die baby's.
10Want het is gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een beetje, daar een beetje. 11Ja, met belachelijke klanken en in een andere taal zal Hij tot dit volk spreken, 12tegen wie Hij zei: Dit is de rust, geef de vermoeide rust, en dit is de verademing — maar zij wilden niet luisteren.
Je zult merken dat Paulus in zijn citaat hieruit het laatste deel van vers 11 en de laatste regel van vers 12 aanhaalde. Maar in vers 13 staat:
Daarom zal voor hen het woord van de HEERE zijn: gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een beetje, daar een beetje, zodat zij, als zij weggaan, achterovervallen, verpletterd worden, verstrikt raken en gevangen worden.
Als je gewoon afgaat op wat er staat, zou Jesaja degene kunnen zijn die in vers 9 de vraag stelt:
En aan wie zal hij dan iets leren?
Aan wie zal God kennis onderwijzen? Zijn antwoord is: aan degenen die gespeend zijn, degenen die niet meer alleen maar zuigelingen zijn. Hij zal Zijn… zoals Paulus zei:
En wij spreken wijsheid onder de geestelijk volwassenen, maar een wijsheid niet van deze wereld, en ook niet van de leiders van deze wereld, die tenietgedaan worden.
Jesaja zou zoiets kunnen zeggen. Aan wie zal God Zijn wijsheid onderwijzen? Aan degenen die iets meer zijn dan zuigelingen. Zoals er staat:
Maar voor de volwassenen is er het vaste voedsel, voor hen die hun zintuigen door het gebruik ervan geoefend hebben om te kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad.
En God zal mensen regel op regel, voorschrift op voorschrift onderwijzen. Met andere woorden, Hij stort niet de hele lading in één keer over je uit, maar Hij geeft het je in hapklare brokken.
Jesaja bespot om zijn eenvoudige boodschap #
Dat is echter niet de manier waarop de meeste geleerden denken dat deze passage begrepen moet worden. Zoals ik al zei voordat ik de passage voorlas, vatten zij vers 9 op als de woorden van Jesaja’s critici, die over hem spreken.
Wie kan Hij dan de kennis bijbrengen? Wie kan Hij dan het gehoorde doen begrijpen? Wie net van de moedermelk af zijn, wie net van de borst zijn afgehaald?
Ze zijn opstandig. Ze suggereren dat hij hun niets kan leren. Misschien zou hij pasgeboren baby’s, pas gespeende zuigelingen, iets kunnen leren. Hij heeft geen diepgang. Hij is niet verfijnd. Zijn boodschap is geschikt voor baby’s, niet voor zulke wijze mannen als wij. Dat is volgens sommigen de indruk die hij hier wekt.
Op beide plaatsen, in vers 10 en vers 13, staat deze merkwaardige uitspraak:
Want het is gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een beetje, daar een beetje.
Men denkt dat de betekenis van de Engelse woorden zoals ze vertaald zijn, niet van belang is. Het zou hier gaan om de klank van de Hebreeuwse woorden. In het Hebreeuws klinkt het als babytaal. Het klinkt misschien zelfs een beetje als een baby die het Hebreeuwse alfabet probeert op te zeggen.
Of deze theorie klopt of niet, weet niemand. Maar het is een van die dingen waarvan bijna alle commentatoren je beslist willen laten weten dat ze ervan op de hoogte zijn. Want dat zal dan wel zijn wat je over deze passage hoort te denken. In het Hebreeuws luiden deze woorden in vers 10 en vers 13, die tussen aanhalingstekens staan: ‘sav le sav, sav le sav, kav le kav, kav le kav, zir sham, zir sham.’ Ik heb nog nooit een baby gehoord die zo klonk. Maar men zegt dat de woorden klinken als een kind dat als het ware zijn Hebreeuwse abc probeert op te zeggen.
Ze zeggen niet dat de boodschap van deze verzen niets te maken heeft met de woorden zoals ze in het Engels vertaald zijn. Ze zeggen dat de critici van Jesaja hem proberen te bespotten, alsof ze zijn eigen woorden nadoen. ‘Laat hem baby’s onderwijzen. Wij zullen niet naar hem luisteren. Wij zijn te volwassen, te verfijnd. Wij hebben niets van hem te leren. Zijn woorden zijn niet meer dan een baby die zijn alfabet opzegt.’ Misschien.
Vreemde talen als teken van Gods oordeel #
Als dat hier aan de hand is, dan zou in zijn uitspraak
11Ja, met belachelijke klanken en in een andere taal zal Hij tot dit volk spreken, 12tegen wie Hij zei: Dit is de rust, geef de vermoeide rust, en dit is de verademing — maar zij wilden niet luisteren.
‘stamelende lippen’ — de Engelse weergave van wat hierboven ‘belachelijke klanken’ heet — mogelijk verwijzen naar Jesaja’s eigen manier van spreken. Of het zou hetzelfde kunnen betekenen als andere talen. Dat er tot dit volk gesproken wordt in een andere taal, verwijst volgens de meesten naar de taal van de Assyriërs of de Babyloniërs, afhankelijk van wie God hier bedoelt. Het gaat mogelijk over de Assyriërs, want dit staat vroeg genoeg in Jesaja om te kunnen zeggen dat de Assyriërs nog steeds een probleem vormden.
Door mensen met andere talen, namelijk de Assyriërs, tegen Jeruzalem te laten optrekken, probeerde God hun in wezen iets duidelijk te maken. Hij probeert hun te vertellen dat ze onder het oordeel staan. Hij spreekt tot hen door mensen met andere talen, en toch horen ze Hem niet.
De gedachte zou mogelijk zijn: ‘Jullie denken misschien dat ik maar een stamelaar ben. Jullie denken misschien dat ik babytaal gebruik en dat het te eenvoudig is. Nou, God gaat spreken in woorden die niet zo eenvoudig zijn. Woorden die jullie niet kunnen begrijpen, woorden die jullie als het ware boven de pet gaan: mensen met andere talen die jullie niet kennen. En toch zullen jullie zelfs dan niet reageren. Jullie reageren niet op de eenvoud van mijn boodschap. En jullie zullen ook niet reageren wanneer God woorden gebruikt die op jullie niveau moeilijker te begrijpen zijn.’
Waarom Paulus Jesaja op tongentaal toepast #
De passage is moeilijk, lastig te begrijpen. En wat nog moeilijker is, is te weten waarom Paulus eruit citeerde in de context waarin hij dat deed. Door het hele Nieuwe Testament heen zie je dat de schrijvers van het Nieuwe Testament uit het Oude Testament citeren. En in veel gevallen is dat opmerkelijk. Waarom kozen ze die passage uit het Oude Testament om juist dit punt te maken? Als je teruggaat naar de passages in het Oude Testament die ze aanhalen, lijken die soms niet zo relevant. Maar in veel gevallen kun je ontdekken waarom zij dat toepasselijk vonden, door terug te kijken naar de context en je wat meer in de apostelen te verplaatsen. En ze hadden trouwens gelijk, want over Jezus lezen we:
Toen opende Hij hun verstand zodat zij de Schriften begrepen.
De apostelen begrepen de Schriften zeker op de juiste manier. De vraag is: waarom was dat het juiste begrip van die bepaalde passage?
In de meeste gevallen heb ik in elk geval voor mezelf kunnen vaststellen waarom Paulus of Jakobus of iemand anders vond dat die Schriftplaats op die situatie van toepassing was. Ik kon hun redenering volgen, al was dat niet altijd meteen. Soms begreep ik het door gewoon te proberen hun gedachtegang grondiger te doorgronden. Ik begrijp nog steeds niet waarom Paulus deze specifieke Schriftplaats gebruikte met betrekking tot de gave van het spreken in tongen, terwijl het in Jesaja vrijwel zeker gaat over mensen die andere talen spreken, oftewel de Assyriërs.
Maar misschien haalt Paulus die tekst aan om te zeggen dat spreken in tongen mensen die vastbesloten zijn niet te geloven, niet op andere gedachten brengt. Het spreken in talen die ze niet kenden, bracht de Joden niet op andere gedachten toen ze omringd waren door Assyriërs die deze voor hen onbekende talen spraken. God probeerde hen werkelijk te bereiken, maar ze luisterden niet. En de aanwezigheid van barbaren, mensen die hun taal niet spraken, veranderde hun hart of hun denken niet.
Misschien zegt hij dat het spreken in tongen daar in zekere zin op lijkt. Het maakt misschien indruk op je. Je hebt misschien het gevoel dat je laat zien hoe geestelijk je bent. Maar als er een ongelovige binnenkomt, zal het geen indruk op hem maken en zijn hart niet veranderen. Ondanks dat alles zal hij niet gaan geloven.
Profetie onthult wat in het hart verborgen is #
Als dat de reden is waarom Paulus dit ter sprake brengt, en als dat het verband is, laat me je dan zien hoe dat aansluit op de volgende verzen. Vers 22 en verder:
22Zo zijn de andere talen dus tot een teken, niet voor hen die geloven, maar voor de ongelovigen, en zo is de profetie niet voor de ongelovigen, maar voor hen die geloven. 23Als nu de hele gemeente samen zou komen, en allen spraken in andere talen, en er kwamen niet-ingewijden of ongelovigen binnen, zouden zij dan niet zeggen dat u buiten zinnen bent? 24Maar als allen zouden profeteren, en er kwam een ongelovige of niet-ingewijde binnen, dan zou die door allen overtuigd en door allen beoordeeld worden. 25En zo worden de verborgen dingen van zijn hart openbaar, en zo zal hij zich met het gezicht ter aarde werpen en God aanbidden, en verkondigen dat God werkelijk in uw midden is.
Of, zoals bij Ananias en Saffira: toen de geheimen van hun hart werden onthuld, vielen zij ook neer, maar niet om te vertellen dat God bij hen was. Ze vielen dood neer. Maar het punt is dat profetie deze functie heeft.
Trouwens, even terzijde: toen we het in hoofdstuk 12 over de gaven hadden, zei ik dat wat Paulus het woord van kennis noemt misschien niet hetzelfde is als wat we in de charismatische beweging gewend zijn het woord van kennis te noemen. Namelijk het vermogen om op bovennatuurlijke wijze iets over iemand te weten wat je op natuurlijke wijze niet over die persoon kon weten. Mijn argument om misschien verder te kijken dan de traditionele charismatische definitie van die term, was dat dit vermogen om iets over iemand te weten in zowel het Oude als het Nieuwe Testament eigenlijk verbonden wordt met de gave van profetie. Het waren vaak profeten die dat vermogen hadden. Toen Jezus dat vermogen liet zien bij de vrouw bij de put, zei ze:
Meneer, ik zie dat u een profeet bent, omdat Hij iets over haar wist. Hij kon het zien.
Hier lijkt mijn punt bevestigd te worden, want Paulus zegt:
Als mensen profeteren, zal een ongelovige tot inzicht komen doordat de geheimen van zijn hart aan het licht komen.
Dat klinkt als wat wij een woord van kennis noemen. Wat wij gewoonlijk een woord van kennis noemen, is dat iemand door bovennatuurlijke openbaring onthult wat er in het hart van een ander leeft, iets wat alleen die ander weet. God laat zien dat Hij de geheimen van die persoon kent en openbaart die aan iemand anders, zodat die ze kan uitspreken. Dat noemen we gewoonlijk een woord van kennis. Dat lijkt te zijn wat Paulus profetie noemt. Het is in elk geval een van de functies van profetie. Dus dat ondersteunt misschien wat ik eerder zei.
Paulus zegt:
Als iedereen profeteert, zullen mensen tot inzicht komen doordat de geheimen van hun hart aan het licht komen.
Ze zullen zeggen:
Wauw, God is hier echt.
Echte profetie herkennen in de samenkomst #
Ik herinner me dat ik eens in een bijeenkomst was. Door de jaren heen ben ik in veel bijeenkomsten geweest waar mensen profeteerden. Maar vaak als iemand profeteert, denk je: ‘Dat is niet echt’, of: ‘Dat is echt’, of soms denk je: ‘Misschien wel, misschien niet. Dat is moeilijk te zeggen.’ Veel profetieën zijn een soort profetieën waarmee je weinig risico loopt. Iemand rijgt als het ware gewoon een stel zinsneden uit de King James aan elkaar. Die zijn rechtzinnig genoeg, omdat ze rechtstreeks uit de Bijbel komen. Maar ze zetten ze in een zelfbedachte volgorde en zeggen: ‘Zo spreekt de Heere.’ Misschien is dat wat de Heere zegt, misschien ook niet.
Ik bedoel, Hij heeft het in de Bijbel gezegd, dus misschien zegt Hij het nu ook. Aan de andere kant is het misschien geen woord dat de gemeente op dat moment nodig heeft. Misschien is het gewoon iemand die in de gemeente wilde spreken. Er zijn mensen die in elke gemeente een profetie kunnen opdreunen en nooit iets profeteren dat getoetst kan worden. Ze profeteren nooit iets waar je echt houvast aan hebt en waarvan je kunt zeggen: ‘Ja, dat is duidelijk een profetie.’ Het kunnen goede dingen zijn, maar het is vaak moeilijk om te weten of het een openbaring is, of gewoon iets dat uit de gedachten van de spreker voortkwam.
Ik herinner me dat ik eens in een samenkomst was waar de aanwezigheid van de Geest van God heel, heel duidelijk merkbaar leek te zijn. Iemand profeteerde, en ik weet niet eens meer waar de profetie over ging. Maar ik herinner me vooral mijn eigen reactie toen ik de profetie hoorde: ‘Wauw, dat getuigt er gewoon van dat dit echt van de Heere komt.’ Ik ben niet snel geneigd om bij een profetie tot die conclusie te komen, maar ik voelde gewoon: ‘Wauw, dit is echt de Heere. Ik voel echt dat dit de Heere is.’
Wat ik interessant vond, was dat er onmiddellijk nadat de profeet was uitgesproken even een stilte viel, zodat mensen iets konden zeggen of konden bidden of wat dan ook. Naast degene die had geprofeteerd zat iemand van wie ik wist dat het een ongelovige bezoeker was. Die bad en zei: ‘God, ik dank U dat U hier in ons midden bent’, of iets dergelijks. Ik moest precies aan deze passage denken:
24Maar als allen zouden profeteren, en er kwam een ongelovige of niet-ingewijde binnen, dan zou die door allen overtuigd en door allen beoordeeld worden. 25En zo worden de verborgen dingen van zijn hart openbaar, en zo zal hij zich met het gezicht ter aarde werpen en God aanbidden, en verkondigen dat God werkelijk in uw midden is.
Dat was precies wat deze ongelovige daadwerkelijk erkende nadat de profetie was uitgesproken. Dus ik dacht dat je je nauwelijks een aanschouwelijker illustratie kon voorstellen van wat Paulus hier zei.
De schijnbare tegenspraak over ongelovigen #
Er is een probleem met deze verzen, vooral met vers 22 tot en met 24. Afhankelijk van hoe we het probleem oplossen, kan dat gevolgen hebben voor onze eerdere bespreking van de vraag waarom Paulus daar Jesaja 28 aanhaalde. Het probleem is dat Paulus in vers 22 zegt:
Zo zijn de andere talen dus tot een teken, niet voor hen die geloven, maar voor de ongelovigen, en zo is de profetie niet voor de ongelovigen, maar voor hen die geloven.
Dat zou er natuurlijk op wijzen dat het spreken in tongen in de aanwezigheid van ongelovigen een positieve functie heeft, omdat het voor hen een teken is. Het is niet voor gelovigen; het is voor ongelovigen. Het is voor hen een teken. Terwijl profetie vooral ten goede zou komen aan de gemeente, en niet aan ongelovigen.
Als die uitspraak op zichzelf stond, zou ik er helemaal geen probleem mee hebben. Eerlijk gezegd heb ik er geen ernstig probleem mee. Maar het probleem ontstaat doordat het volgende vers klinkt alsof hij dat tegenspreekt. Het volgende vers geeft aan dat het bij de aanwezigheid van een ongelovige beter is dat iedereen profeteert. Die persoon zal dan overtuigd worden, neervallen en zich bekeren. Als iedereen in tongen spreekt, zou hij alleen maar denken dat iedereen gek is. Dat klinkt als het tegenovergestelde van wat hij zou moeten zeggen.
Als het spreken in tongen inderdaad ten goede komt aan ongelovigen, dan zou het, als er ongelovigen aanwezig zijn, beter moeten zijn dat iedereen in tongen spreekt. Als profetie niet voor ongelovigen is maar voor gelovigen, dan zou het ongepast moeten zijn om in de aanwezigheid van ongelovigen te profeteren. Of je zou er in elk geval geen resultaten van moeten verwachten. Toch zei Paulus dat dit de resultaten zouden zijn. In vers 23 en 24 lijkt hij precies het tegenovergestelde te zeggen van wat hij in vers 22 zei.
Phillips keert de tekst over de tekenen om #
Dit is niet onopgemerkt gebleven. Bijna iedereen die het boek 1 Korinthe zorgvuldig leest, is hierover gestruikeld. Sommigen zijn zelfs zover gegaan dat ze vers 22 naar eigen goeddunken hebben veranderd, zonder dat daar steun voor is in de handschriften. J. B. Phillips verandert vers 22 bijvoorbeeld ronduit in zijn vertaling van het Nieuwe Testament, de J. B. Phillips-vertaling. Hij laat Paulus zeggen:
Daarom is spreken in tongen een teken voor gelovigen, niet voor ongelovigen. Profetie is juist voor ongelovigen, niet voor gelovigen.
Met andere woorden, hij draait de zaken in vers 22 gewoon naar eigen goeddunken om, zodat ze vanzelfsprekender aansluiten bij wat hij in vers 23 en 24 zegt.
Wanneer J. B. Phillips dit doet, zet hij er een voetnoot bij met de tekst: ‘Zie de bijlage achterin.’ Hij heeft een speciale bijlage over precies deze verzen. Hij zei: ‘Dit is de enige plaats in mijn vertaling waar ik de tekst gewoon eigenmachtig en zonder tekstuele rechtvaardiging heb veranderd. Ik heb dat gedaan omdat Paulus duidelijk een schrijffout heeft gemaakt, of omdat er een overschrijffout is gemaakt, of iets dergelijks. En uit de context blijkt duidelijk dat hij dit bedoelde in plaats van dat.’
Die mogelijkheden zijn niet onmogelijk. Het is mogelijk dat we hier met een tekstcorruptie te maken hebben, maar het probleem is dat we geen handschriften hebben die hier van tekstcorruptie getuigen. Ze zeggen dit allemaal. Als vertaler zou ik het niet naar eigen goeddunken willen omdraaien omdat ik vond dat het dan gemakkelijker uit te leggen zou zijn.
Tongentaal als teken en de grenzen van die uitleg #
Ik heb deze moeilijkheid meestal als volgt uitgelegd: het spreken in tongen kan inderdaad een teken zijn voor ongelovigen. Gelovigen hebben geen tekenen nodig.
Het verdorven en overspelig geslacht verlangt een teken; maar hun zal geen teken gegeven worden dan het teken van Jona, de profeet. En Hij verliet hen en ging weg.
En daarom is het spreken in tongen een teken. Tenminste, in sommige situaties en bij sommige vormen van gebruik kan het spreken in tongen een teken zijn. Maar het is geen teken om gelovigen tot geloof te brengen, want gelovigen geloven al. Het is een teken voor ongelovigen die nog niet geloven. Een voorbeeld van wat Paulus bedoelt, zou je kunnen zien op de Pinksterdag. Het spreken in tongen daar was namelijk een geval waarin ongeschoolde Galileeërs allerlei talen spraken die ze nooit hadden geleerd. De mensen in Jeruzalem die daar als pelgrims waren voor het Pinksterfeest, hoorden hun eigen talen spreken door mensen van wie ze wisten dat ze geen talen hadden gestudeerd. Ze wisten dat dit er voor hen van getuigde dat er iets bovennatuurlijks gaande was. Het trok hun aandacht en leidde ertoe dat ze het Evangelie van Petrus hoorden en dat velen van hen tot bekering kwamen: drieduizend van hen. Dat was een geval waarin het spreken in tongen zeker als teken voor ongelovigen diende.
Ik heb doorgaans betoogd dat Paulus hier dit bedoelt: het spreken in tongen kan, in elk geval soms, een teken voor ongelovigen zijn. Wanneer het in de gemeente gebeurt, is het niet bedoeld als een teken voor de gelovigen. Het is er om de gelovigen te dienen, met een uitleg erbij. Het is er om onderwijs te geven of een openbaring van een of andere aard door te geven, maar niet alleen om als teken te dienen.
Maar ik moet bekennen dat deze verklaring niet duidelijk maakt waarom hij in het tweede deel van het vers zegt:
En zo is de profetie niet voor de ongelovigen, maar voor hen die geloven.
Want vervolgens zegt hij dat ongelovigen er baat bij kunnen hebben als ze profetie horen. Volgens mijn gebruikelijke uitleg hiervan zei ik dat Paulus in vers 23 aangeeft dat niet iedereen in de gemeente in tongen moet spreken wanneer er een ongelovige binnenkomt. Dat is niet in tegenspraak met wat hij eerder zei over het spreken in tongen als teken voor ongelovigen. Hoewel het in sommige gevallen een teken kan zijn, kan het ook de verkeerde boodschap overbrengen als het op een wanordelijke manier wordt gebruikt. Als er mensen binnenkomen en iedereen tegelijk in tongen roept, lijkt het een gekkenhuis. Het zal zijn vereiste en beoogde doel, een teken zijn voor deze ongelovigen, niet dienen, behalve als een teken van krankzinnigheid.
Zoals ik dit doorgaans heb begrepen, zegt Paulus dus dat God het spreken in tongen bedoeld heeft als een teken voor ongelovigen om het Evangelie te helpen bevestigen. Maar de manier waarop de Korinthiërs het doen, waarbij ze allemaal tegelijk en door elkaar spreken, zal dat effect niet hebben. Het zal het tegenovergestelde effect hebben: mensen zullen denken dat ze gek zijn.
Er zitten problemen aan deze kijk erop. Wat ik heb gezegd, geeft weliswaar een mogelijke, aannemelijke verklaring voor wat Paulus over het spreken in tongen zegt, en kan die gedachten met elkaar in overeenstemming brengen. Maar ik heb geen overeenkomstige verklaring gegeven voor wat Paulus over profetie zei. Dat probleem blijft bestaan, want Paulus zegt in vers 22 wel degelijk:
Profetie is niet voor ongelovigen.
Maar vervolgens zegt hij heel duidelijk:
Als er ongelovigen binnenkomen en iedereen profeteert, zullen ze tot inzicht komen, en dat is goed. Ze zullen erkennen dat God bij jullie is.
Mijn gebruikelijke verklaring doet slechts recht aan de helft van het materiaal. Ze verklaart de andere helft niet en schiet dus in dat opzicht tekort. Daardoor blijft het nodig om een verklaring voor die gedeelten te vinden.
Tongentaal veroordeelt, profetie brengt geloof #
Ik ken een andere verklaring die naar mijn idee niet helemaal zo goed bij de bewoordingen past, maar mogelijk wel bij de gedachte. Wanneer hij in vers 22 zegt: ‘Daarom is spreken in tongen een teken voor ongelovigen, niet voor gelovigen’, dan spreekt hij vanuit het gedeelte uit Jesaja dat in het vorige vers is aangehaald. Daarom zegt hij: ‘Daarom.’ Hij heeft een vers uit Jesaja aangehaald. In dat vers in Jesaja staat dat God weliswaar tot je zal spreken in tongen die je niet begrijpt, wat Hij als een teken voor je bedoelt, maar dat je toch niet zult geloven.
Daarom, zegt Paulus, kunnen we uit dat vers afleiden dat deze mensen in hun ongeloof vaststaan, ook als God bovennatuurlijke dingen doet of hun tekenen geeft, zoals het spreken in tongen. Het spreken in tongen houdt mensen zo. Het verandert mensen niet. Het spreken in tongen is een teken voor mensen die vaststaan in hun ongeloof, en zij blijven ongelovigen, terwijl profetie gelovigen voortbrengt. Zo begrijpen sommige mensen het wanneer Paulus zegt dat profetie voor gelovigen is. Hij zegt niet dat het een teken voor gelovigen is, maar dat profetie niet voor ongelovigen is, maar voor hen die geloven.
De gedachte achter deze verklaring is dat profetie tot doel heeft gelovigen voort te brengen. Het spreken in tongen heeft tot doel mensen te veroordelen die vaststaan in hun ongeloof. Vervolgens legt hij uit dat als mensen als ongelovigen binnenkomen en je in tongen horen spreken, dat hen niet zal bekeren. Het zal hen niet uit hun ongeloof halen. Het spreken in tongen is in zekere zin een manier om degenen te veroordelen die al vaststaan in hun ongeloof, zoals in Jesaja.
Het volk Israël stond al vast in zijn ongeloof. God zou hen alleen maar verder veroordelen door hun tekenen te geven die hen niet zouden bekeren. Hoe meer tekenen God geeft, des te schuldiger zijn ze aan hun ongeloof. Hoe meer licht ze hebben, des te zwaarder worden ze veroordeeld omdat ze er niet op reageren. De Bijbel geeft op sommige plaatsen aan, bijvoorbeeld in Ezechiël, dat Hij Ezechiël opdraagt al die tekenen te doen en al die dingen te zeggen. Hij zegt:
En zij, of zij luisteren of dat nalaten — zij zijn immers een opstandig huis — zij zullen weten dat er een profeet in hun midden geweest is.
Misschien geloven ze je niet. Misschien aanvaarden ze niet wat je te zeggen hebt. Jesaja kreeg te horen dat de mensen niet zouden geloven wat hij te zeggen had, maar hij moest het toch zeggen. Waarom? Waarom zou je het zeggen als ze toch niet zullen geloven? Kennelijk wil God onder andere dat mensen bij hun veroordeling weten waarom ze veroordeeld zijn. Ze kunnen dan niet beweren dat ze geen gelegenheid hebben gehad om de waarheid te leren kennen. God heeft hun tekenen gegeven, hun profeten gegeven, en Hij wil het niet anders. Als ze in ongeloof zullen sterven, wil Hij dat ze sterven in opstandig ongeloof, niet in onwetend ongeloof. Hij zou liever hebben dat ze als gelovigen sterven. Maar er zijn mensen die eenvoudigweg niet willen geloven, wat je ook tegen hen zegt.
Hij wil niet dat een ongelovige op de oordeelsdag zegt: ‘Ik heb nooit echt een kans gehad. De reden dat ik als ongelovige stierf, is dat ik het nooit geweten heb. Ik wist hier werkelijk niets van.’ God zegt: ‘Nee, Ik ga niemand dat excuus laten gebruiken. Of ze nu geloven of niet, ze zullen weten dat er een profeet is gekomen. Ze zullen niet onwetend zijn.’
Dus Paulus zou kunnen bedoelen dat Jesaja deze mensen vertelt dat ze onwetend en ongelovig zullen sterven, maar dat God op indrukwekkende manieren tot hen zal spreken.
Zelfs door mensen die andere talen spreken, zal Hij hen niet tot bekering brengen. Zelfs ondanks dat alles zullen ze niet geloven. Maar het zal Gods doel dienen om hen nog verder te veroordelen, omdat Hij hun nog een teken heeft gegeven dat ze afwijzen.
Sommige mensen zeggen dat Paulus bedoelt dat tongentaal net zo’n teken is als in de dagen van Jesaja. Niet de gave van tongentaal, maar de vreemde talen van de Assyriërs, waarmee God hun aandacht probeerde te trekken. Zo is tongentaal ook. Het zal niemand tot bekering brengen. Voor zover we weten, heeft het zelfs op de Pinksterdag niemand tot bekering gebracht. Het trok hun aandacht, maar Petrus sprak in een taal die iedereen begreep. Petrus gebruikte de gave van tongentaal niet toen hij op de Pinksterdag zijn preek hield. Het was die preek, die hij begrijpelijk tot hen uitsprak in een bekende taal, bekend bij de spreker en de luisteraars. Het was Grieks waardoor grote aantallen mensen behouden werden.
Ik weet het niet. Sommige mensen denken dat dit is wat Paulus bedoelt. Het zou alles begrijpelijk maken, maar het blijft een beetje moeilijk om vers 22 zo te lezen. Uit de formulering blijkt niet duidelijk dat dit is wat hij bedoelt. Maar in dat geval zou Paulus zeggen dat tongentaal, net als bij Jesaja, mensen bevestigde in hun ongeloof, hoewel het een teken was. Dat betekent dat ze op de oordeelsdag niet konden zeggen dat ze nooit tekenen hadden gezien. God gaf hun tekenen, maar geen tekenen die hun bekering garandeerden.
Paulus zou dan zeggen dat het tegenwoordig met tongentaal ook zo is. Als mensen hier binnenkomen terwijl er in tongen wordt gesproken, zullen ze geen gelovigen worden. Ze zullen alleen maar denken dat jullie gek zijn. Maar profetie dient er niet toe mensen als ongelovigen te bevestigen, maar om gelovigen voort te brengen.
Zo zijn de andere talen dus tot een teken, niet voor hen die geloven, maar voor de ongelovigen, en zo is de profetie niet voor de ongelovigen, maar voor hen die geloven.
Volgens deze uitleg zegt hij niet dat het niet ten goede komt aan ongelovigen, maar aan gelovigen. Hij zegt dan dat het niet bedoeld is om ongelovigen voort te brengen, maar om gelovigen voort te brengen.
Omgaan met schijnbare tegenstrijdigheden #
Moeilijk, moeilijk. Maar als hij dat in vers 22 bedoelde, zouden de volgende verzen heel begrijpelijk zijn. Zoals het er nu staat, weten we niet zeker wat Paulus bedoelde. Het zou volgens mij behoorlijk dom zijn om hiernaar te wijzen en te zeggen: ‘Paulus kan niet door de Geest van God spreken, want hier spreekt hij zichzelf tegen. Dit is een van de plaatsen waar wat Paulus zegt in vers 22 in tegenspraak lijkt met wat hij in de verzen direct daarna zegt.’
We hebben iets wat op een tegenstrijdigheid lijkt, maar we hebben elders bij Paulus vergelijkbare plaatsen die volgens sommige mensen op tegenstrijdigheden lijken. Bijvoorbeeld in Filippenzen 3. In Filippenzen 3:12 zegt hij:
Niet dat ik het al verkregen heb of al volmaakt ben, maar ik jaag ernaar om het ook te grijpen. Daartoe ben ik ook door Christus Jezus gegrepen.
Maar verderop, in vers 15 van hetzelfde hoofdstuk, Filippenzen 3:15, zegt hij:
Laten wij dan, voor zover wij geestelijk volwassen zijn, deze gezindheid hebben; en als u iets anders gezind bent, ook dat zal God u openbaren.
In de New King James is er geen probleem, maar het woord ‘perfected’ in vers 12 en het woord ‘mature’ in vers 15 zijn hetzelfde Griekse woord. Daarom laat de King James zien wat het probleem is. Die kan ze allebei met hetzelfde woord vertalen, namelijk ‘perfect’. In vers 12 zegt Paulus:
Ik ben nog niet volmaakt, en dan zegt hij in vers 15:
Laten degenen onder ons die volmaakt zijn er zo over denken.
Het klinkt alsof hij zichzelf tegenspreekt. Paulus, ben je volmaakt of ben je niet volmaakt?
Het is een feit dat hij het allebei is, afhankelijk van hoe je het woord opvat. ‘Perfect’ heeft minstens drie verschillende mogelijke betekenissen, en het lijkt in vers 12 het ene te betekenen en in vers 15 iets anders. Eén ding wil ik niet doen: zeggen dat Paulus zo dom was dat hij zichzelf per ongeluk binnen drie verzen tegensprak. Hij was geen dwaas. Zelfs als hij niet door inspiratie schreef, zou zijn gewone verstand hem ervan weerhouden zo’n fout te maken. Daarom moeten we volgens mij verstandig genoeg zijn om te concluderen dat het geen fout was. Paulus wist wat hij deed, hij deed het met een reden, en voor hem was het begrijpelijk. En hopelijk ook voor zijn luisteraars. Eigenlijk is het in dit geval voor mij ook begrijpelijk.
Voor mij ook begrijpelijk. Hij zegt: ‘Ik ben niet volledig. Ik ben absoluut nog niet klaar met groeien, maar ik hoor zeker bij degenen die volwassen zijn, in tegenstelling tot degenen die onvolwassen zijn.’ In één betekenis zijn we wat dat Griekse woord aanduidt, dat ‘volwassen’ kan betekenen. We kunnen volwassen christenen zijn. Maar zelfs als we volwassen zijn, betekent dat niet dat we vinden dat we de uiteindelijke volmaaktheid hebben bereikt. Volgens mij is dat wat Paulus in Filippenzen 3 zegt. Vrijwel iedereen die niet alleen maar moeilijkheden zoekt, begrijpt het zo.
Maar als je echt vervelend wilde doen, zou je kunnen zeggen: ‘Paulus lijkt zichzelf tegen te spreken, want hij gebruikt op beide plaatsen hetzelfde woord. Op de ene plaats zegt hij dat hij dat niet is; op de andere plaats lijkt hij aan te geven dat hij dat wel is.’ Maar één ding moet je doen wanneer je de Bijbel leest, ook als je wat kritisch bent: eerlijk oordelen. Je moet die man op zijn minst een gemiddelde intelligentie toeschrijven.
Hetzelfde geldt wanneer je bij 1 Korinthe 14 komt en daar binnen twee opeenvolgende verzen een schijnbare tegenstrijdigheid aantreft. Je moet ervan uitgaan dat Paulus dit niet in zijn slaap heeft geschreven, en dat hij niet even zijn verstand kwijt was, naar ik vertrouw. Hij was wakker toen hij het schreef, en daarom zou hij dit als een tegenstrijdigheid hebben opgemerkt. Hij wist wat hij bedoelde toen hij het zei, en hij zou een tegenstrijdigheid net zo gemakkelijk hebben kunnen opmerken als jij.
Daarom moeten we aannemen dat we hier geen tegenstrijdigheid hebben, maar dat er verschillende mogelijkheden zijn. Ofwel begrijpen we niet wat hij bedoelde in een of beide gedeelten die elkaar lijken tegen te spreken. Als we ze begrepen zoals hij ze bedoelde, zouden we zien dat er geen tegenstrijdigheid is. Of we hebben, zoals Phillips dacht, mogelijk te maken met een tekstcorruptie. We hebben het origineel niet, dus we weten niet of het veranderd is. Het is niet onmogelijk, maar we kunnen niet met zekerheid zeggen dat het veranderd is. We kunnen alleen zeggen dat het in de huidige vorm moeilijk is om wat hij in vers 22 zegt in overeenstemming te brengen met wat hij vervolgens in de verzen 23 tot en met 25 zegt.
Maar ik ben bereid Paulus het vertrouwen te geven dat hij iets heeft gezegd dat, zoals hij het bedoelde, volkomen logisch was. En ik ben zelfs bereid een mogelijkheid te opperen waarvan we nooit zullen weten of die werkelijk het geval is: er zou hier sprake kunnen zijn van een tekstcorruptie. Elk van die twee verklaringen is veel aannemelijker dan te zeggen: ‘Paulus ging hier de mist in. Paulus maakte een grote fout.’ Paulus wist duidelijk wat hij bedoelde. Ons probleem is dat wij niet volledig begrijpen wat hij bedoelde.
De ontbrekende achtergrond van Paulus’ brief #
Als we verdergaan naar vers 26, worden we met nog meer onduidelijkheden geconfronteerd. Dit hoofdstuk staat vol onduidelijkheden. Onduidelijkheden zijn geen fouten. Onduidelijkheden stellen ons begrip op de proef, want een onduidelijkheid betekent dat iets het ene zou kunnen betekenen, of iets anders, en dat het niet helemaal duidelijk is. Naar mijn mening zijn sommige daarvan vanuit onze tijd niet meer op te lossen. Hier zitten we, twintig eeuwen na de tijd van Paulus, in een heel andere cultuur, en we zijn beslist geen ooggetuigen van de situatie waarover hij schreef.
Het is alsof je één kant van een telefoongesprek hoort. Degene die het gesprek voert en degene met wie hij aan de andere kant van de lijn praat, kunnen de gedachtegang prima volgen, maar wij horen slechts één kant. We missen het volledige referentiekader om alles helemaal te begrijpen. We moeten de ontbrekende informatie in zekere zin invullen door te gissen. We zitten in een situatie waarin we in grote lijnen kunnen begrijpen waar het Paulus om gaat. Maar de bijzonderheden waarnaar hij verwijst, waren zijn lezers vertrouwd en zijn ons helaas niet helemaal vertrouwd. Toch kunnen we ons best doen om de mogelijkheden te onderzoeken, en dat is alles wat ik bij mijn behandeling ervan kan pretenderen te doen.
Vers 26:
26Hoe is het dan, broeders? Telkens wanneer u samenkomt, heeft iedereen een psalm, of hij heeft een onderwijzing, of hij heeft een andere taal, of hij heeft een openbaring, of hij heeft een uitleg. Laat alles gebeuren tot opbouw. 27En als iemand in een andere taal spreekt, laat het dan door twee of hoogstens drie mensen gedaan worden , ieder op zijn beurt, en laat één het uitleggen. 28Maar als er geen uitlegger is, laat hij dan in de gemeente zwijgen, maar laat hij tot zichzelf spreken en tot God. 29En laten twee of drie profeten spreken, en laten de anderen het beoordelen. 30En als aan een ander die daar zit, iets geopenbaard wordt, laat dan de eerste zwijgen. 31Want u kunt allen, de één na de ander, profeteren, opdat allen leren en allen bemoedigd worden. 32En de geesten van de profeten zijn aan de profeten zelf onderworpen. 33Want God is geen God van wanorde, maar van vrede, zoals in alle gemeenten van de heiligen.
Iedereen een bijdrage: beschrijving of gebod #
Paulus geeft enkele aanwijzingen, je zou kunnen zeggen enkele regels, voor het uitoefenen en gebruiken van de gaven van de Heilige Geest wanneer de gelovigen samenkomen. Het eerste wat niet helemaal duidelijk is, is wat hij in vers 26 bedoelt: of wat hij zegt beschrijvend of voorschrijvend is. Ik heb die woorden eerder gebruikt bij het onderwijzen over andere gedeelten, dus ik hoop dat je nog weet wat het betekent als je moet bepalen of een gedeelte beschrijvend of voorschrijvend is.
Met die vraag hebben we bijvoorbeeld in het boek Handelingen heel vaak te maken. We lezen daar namelijk over een bepaalde gewoonte van de vroege gemeente, en sommigen trekken dan de conclusie: ‘Nou, dat is de norm. Dat moeten wij in de gemeente van nu ook doen.’ Daarmee vat je het gedeelte op als voorschrijvend. Dat wil zeggen: wanneer je ziet wat zij deden, wordt dat opgevat als een voorschrift voor wat wij moeten doen. Aan de andere kant zou je hetzelfde gedeelte kunnen lezen en zeggen: ‘Dat is gewoon beschrijvend. Het vertelt ons niet wat we behoren te doen. Het vertelt ons alleen wat zij deden. Dit is wat zij deden. Er staat hier geen bevel dat wij het moeten doen. Het vertelt ons alleen wat zij deden.’
Dat is een echte uitdaging wanneer je bijvoorbeeld het boek Handelingen bestudeert, of een passage die ons beschrijft hoe de dingen op een bepaalde plaats werden gedaan. De vraag wordt dan: werden ze zo gedaan omdat het altijd zo zou moeten? Zo ja, dan moeten we die passage als voorschrijvend opvatten. Ze schrijft voor wat de juiste manier van doen is. Maar misschien deden ze het om een andere reden. Misschien deden ze het zelfs terwijl ze het niet zouden moeten doen, en wordt er alleen beschreven wat ze deden, misschien met de bedoeling er kritiek op te leveren. Dat is ook altijd een mogelijkheid. Soms kunnen we dat probleem gemakkelijk oplossen. Op andere momenten moeten we ons wat meer op de studie toeleggen om erachter te komen.
In dit geval geloven de meeste charismatische christenen die ik ken dat 1 Korinthe 14:26 voorschrijvend is. Ze geloven dat Paulus daadwerkelijk bepleit wat hij hier beschrijft:
Hoe gaat dat dan, broeders en zusters, als jullie samenkomen: de een heeft een psalm, de ander iets om te onderwijzen, weer een ander spreekt in tongen, heeft een openbaring of legt uit wat er in tongen is gezegd, en laat alles dienen om elkaar op te bouwen.
Paulus zegt duidelijk niets wat hun verbiedt deze houding te hebben, maar zijn formulering gebiedt of bepleit die houding ook niet noodzakelijk. Hij zegt alleen dat het er zo aan toegaat wanneer ze samenkomen. Hij beschrijft wat de Korinthiërs al deden. Of hij wilde dat ze daarmee doorgingen, of hij wilde dat andere gemeenten dat deden, enzovoort, komt in zijn formulering hier niet eens ter sprake. Hij zegt niet: ‘Dit is wat ik wil dat jullie doen. Wanneer jullie samenkomen, wil ik dat ieder van jullie iets heeft om te delen, iets om te zeggen.’
Toch is dit volgens mij de manier waarop het ons in charismatische kringen doorgaans is geleerd. Het wordt vooral toegepast op kleine groepen. Want als je een zaal vol hebt met driehonderd of vijfhonderd of nog meer mensen die samenkomen voor aanbidding, verwacht je natuurlijk niet dat iedereen binnen de beschikbare tijd voor de bijeenkomst iets zegt. Of dat iedereen iets relevants te zeggen heeft waarvan de Heere wil dat het gezegd wordt. Want je zult in één bijeenkomst waarschijnlijk geen tijd hebben om iedereen aan het woord te laten.
Maar soms wordt deze Schrifttekst in hedendaagse charismatische kringen toegepast op bijeenkomsten in kleine groepen. Wanneer we in kleine groepen samenkomen, willen we graag dat iedereen iets bij te dragen heeft. Iets zegenrijks, iets om voor te lezen dat je tot zegen is geweest, een Schrifttekst, een inzicht dat God je heeft gegeven, een getuigenis of iets dergelijks. Dit wordt beschouwd als het normale gemeenteleven in de hedendaagse charismatische gemeente. En men gelooft dat omdat men dacht dat Paulus dit aanwees als de norm voor het gemeenteleven van de eerste christenen. Misschien is dat zo. Hij veroordeelt hun houding niet met heel duidelijke veroordelende woorden. Maar ik moet je erop wijzen dat hij alleen maar zegt:
Zo gaat het als jullie samenkomen.
Hoe gaat het eraan toe? Het gaat zo. Jullie komen samen en iedereen heeft iets wat hij wil zeggen. Iedereen wil praten. Iedereen wil iets bijdragen.
Het enige wat hij aan het einde van die beschrijving van wat ze wilden doen of wat ze deden wél zegt, is:
Laat alles gebeuren tot opbouw.
In zekere zin zou hij kunnen zeggen: ‘Laat alles wat jullie willen doen maar gebeuren. Laat iedereen een psalm delen, laat iedereen een openbaring delen of iets dergelijks, zolang het maar opbouwend is.’ Misschien is dat in sommige kleinere groepen mogelijk. In een grotere groep lijkt dat onmogelijk. En Paulus lijkt er inderdaad enige grenzen aan te stellen in de volgende verzen, die we ook hebben gelezen. Die gaan over degenen die in tongen spreken, degenen die profeteren, en hoeveel mensen dat zouden moeten doen: van elk twee of drie.
Twee of drie sprekers per samenkomst #
Sommigen hebben gemeend dat Paulus het aantal mensen dat tijdens de hele bijeenkomst in tongen mag spreken of mag profeteren, niet beperkt wanneer hij zegt:
laat twee of drie mensen in tongen spreken en laat dat daarna uitleggen, en laat twee of drie profeten spreken en laat de anderen daarna beoordelen wat er is gezegd Maar laten we niet een hele rij van hen aan het woord laten zonder af en toe te stoppen om het uit te leggen. Laten we twee of drie mensen in tongen laten spreken, dan stoppen en zorgen dat er uitleg komt. Laat er misschien twee of drie profetieën zijn, dan stoppen we en onderzoeken en beoordelen we die. Daarna kunnen we doorgaan en er nog een paar aan bod laten komen.
De passage laat beide mogelijkheden toe. De formulering zou kunnen betekenen dat hij niet zegt dat er in de gemeente maar twee of drie mensen in tongen mogen spreken of mogen profeteren, maar dat er slechts twee of drie achter elkaar mogen spreken zonder de tijd te nemen om te vertolken of te beoordelen wat er gezegd is. Al moet ik zeggen dat ik hierin mijn eigen subjectiviteit moet erkennen. Zelf denk ik dat hij wel een grens stelt aan het aantal mensen dat in de hele samenkomst mag spreken. Het is moeilijk te zien hoe de gemeente baat zou kunnen hebben bij veel meer dan twee of drie profetieën. Ik heb gemerkt dat als je in één samenkomst te veel boodschappen van verschillende aard hebt, je meestal de laatste onthoudt en de voorgaande vergeet. Als er te veel uiteenlopende dingen gebeuren, zullen die elkaar uiteindelijk zo afzwakken dat niets je op een bijzondere en krachtige manier bijblijft. Zoals ik al zei, dat is een subjectief oordeel van mijn kant en ik kan het mis hebben. Maar we weten niet of Paulus iets anders bedoelt dan dat. Het enige wat we kunnen zeggen, is dat Paulus duidelijk pleit voor ordelijkheid en voor een manier van omgaan met de gaven die opbouw waarborgt. Zodat je niet te veel mensen in tongen krijgt die spreken zonder dat iemand vertolkt. Als er een heleboel in tongen wordt gesproken zonder vertolkingen, werkt de gemeentesamenkomst averechts. Die brengt dan niet de opbouw van het lichaam als geheel teweeg waarvoor ze bedoeld is.
Beperkingen vanwege de wanorde in Korinthe #
Ik wil hierop wijzen, zoals ik eerder in een andere lezing al zei toen we het over enkele andere hoofdstukken hadden: het is heel goed mogelijk dat deze instructies speciaal op de gemeente in Korinthe waren toegesneden, vanwege de bijzondere wanordelijkheid van hun gedrag toen Paulus hun schreef. Misschien legde hij hun strengere beperkingen op dan hij zou hebben gedaan als ze zich al op een meer volwassen en ordelijke manier gedroegen. Stel dat een gemeente heel ordelijk was, zichzelf goed in de hand had en er geen verwarring was. Er spraken toch vier of vijf mensen in tongen of vier of vijf profeten, maar er werd naar behoren vertolkt enzovoort. Dan betwijfel ik of Paulus hun zou hebben geschreven: ‘Luister, vier of vijf is gewoon te veel. Houd het bij twee of drie.’ Nogmaals, dit is subjectief.
Ik weet niet of er iets onaantastbaars zit in het precieze aantal mensen dat dit doet, of het er nu twee of drie zijn, of vier of vijf of tien. Ik denk echt niet dat Paulus zozeer aan een bepaald aantal hecht als wel aan het op orde brengen van de dingen. Deze mensen hebben zichzelf zo weinig in de hand dat hij hun heel strikte beperkingen oplegt. Let erop dat hij aan het einde van vers 26 zegt:
Laat alles dienen om elkaar op te bouwen, En aan het einde van het hoofdstuk, in vers 40, zegt hij:
Laat alle dingen op een gepaste wijze en in goede orde gebeuren.
Dit moeten de overkoepelende, overstijgende beginselen zijn waar het Paulus bij het geven van deze instructies in wezen om gaat.
Blijvende beginselen en plaatselijke regels #
Denk terug aan onze bespreking van hoofdstuk 11 over de hoofdbedekking. Zeker niet iedereen in het lichaam van Christus zou instemmen met de conclusies die ik daarover trok. Maar mijn conclusie was dat het belangrijk is om de hiërarchische structuur in acht te nemen die God in de schepping heeft aangebracht. Daaronder vallen ook de bijzondere rollen van mannen en vrouwen ten opzichte van elkaar enzovoort. Dit is overstijgend. Dit is een blijvende, overstijgende geestelijke waarheid. Het dragen van een hoofdbedekking was echter meer een culturele, tijdgebonden uitdrukking van die specifieke waarheid.
Mijn conclusie over 1 Korinthe 11, die dus niet met die van iedereen overeenkomt, was dat het tegenwoordig niet in alle culturen, zoals de onze, noodzakelijk is dat vrouwen een hoofdbedekking dragen om gehoorzaam te zijn aan de geest van wat Paulus zegt. Wij hebben een andere cultuur en de verwachtingen zijn anders. De instructies van Paulus waren bepaald door de cultuur van die tijd. Maar er lag een overstijgende waarheid aan zijn instructies ten grondslag: hij wilde niet dat vrouwen hun rol als vrouw van zich afwierpen of aanstoot gaven in hun cultuur door te doen alsof ze niet ondergeschikt waren aan de rol die hun toekwam.
Zo zouden we ook hier kunnen zeggen dat de instructies van Paulus aan de Korinthiërs betrekking hebben op deze overstijgende waarheden die altijd moeten gelden in christelijke erediensten. Namelijk dat, zoals vers 26 zegt:
alles dient om elkaar op te bouwen, En, zoals vers 40 zegt:
alles gebeurt netjes en ordelijk.
Wat betreft het aantal mensen dat in tongen spreekt, het aantal profeten enzovoort, dat kan, net als de hoofdbedekking, meer een specifieke instructie zijn die vanwege de eigen omstandigheden van die bepaalde gemeente op haar van toepassing was. Ik weet het niet.
Dit wil ik wel zeggen: ik zie geen reden waarom we ons niet aan de letter zouden kunnen houden van wat Paulus hier zegt. Zelfs als we vermoeden dat Paulus niet verontwaardigd zou zijn over een gemeentesamenkomst waarin vijf profeten spraken, zolang alles maar op gepaste wijze en in goede orde gebeurde. Nogmaals, het gaat om gepastheid en orde. Ik weet het niet. Ik ben niet bereid om de uitspraak voor mijn rekening te nemen dat Paulus erop staat dat er in alle gemeentesamenkomsten niet meer dan drie profeten spreken, of meer dan drie.
Zelfbeheersing als teken van volwassenheid #
Maar de gemeente in Korinthe had heel specifieke beperkingen nodig, omdat ze zichzelf niet beoordeelden. Ze moesten van buitenaf beoordeeld worden. Ze moesten door beperkingen van buitenaf in de hand gehouden worden, omdat ze, als een stel baby's, zichzelf niet van binnenuit in de hand hielden.
Dat is natuurlijk een teken van onvolwassenheid. Baby’s hebben geen innerlijke beheersing. Ze gedragen zich niet uit innerlijke beweegredenen zoals het hoort. Daarom hebben ze ouders die hun van buitenaf beperkingen opleggen. Maar een van de tekenen dat iemand volwassen begint te worden, is dat hij onafhankelijk wordt van zulke beperkingen van buitenaf. Die onafhankelijkheid ontstaat niet alleen doordat hij ertegen in opstand komt, maar doordat hij innerlijke beheersing ontwikkelt die beperkingen van buitenaf overbodig maakt. Begrijp je wat ik bedoel? Kinderen moet je zeggen dat ze hun tanden moeten poetsen, omdat dat goed is om te doen. Uit zichzelf zouden ze het niet doen. Uiteindelijk komen ze op het punt dat ze verantwoordelijk genoeg zijn. Ze kunnen goed en verkeerd en de waarde van dingen voldoende afwegen, zodat je hun niet meer hoeft te zeggen dat ze hun tanden moeten poetsen. Ze doen dat bewust. Het komt niet eens alleen door ingesleten gewoonten. Ze kennen de redenen ervoor en zien het belang van die redenen in. En ze doen het zonder dat het hun gezegd wordt, omdat ze zichzelf die discipline opleggen.
Omdat de gemeente duidelijk onvolwassen was en uit kleine kinderen in Christus bestond, denk ik dat een van de dingen die in de gemeente duidelijk naar voren kwamen, was dat ze geen innerlijke beheersing hadden. Dus Paulus treedt als hun vader op, zoals hij zichzelf in hoofdstuk 4 noemde. Hij zei:
Want al had u tienduizend leermeesters in Christus, daarmee hebt u nog niet vele vaders: in Christus Jezus heb ík u immers door het Evangelie verwekt.
Hij komt dus als iemand die tucht uitoefent. Denk maar aan het einde van hoofdstuk 4:
Moet ik met een stok komen?
Hij komt als iemand die tucht uitoefent en van buitenaf beperkingen oplegt aan een gemeente die innerlijke beheersing had moeten hebben.
Gezamenlijk zingen in de Geest #
Opnieuw roept dat de vraag op of deze specifieke beperkingen die Paulus van buitenaf oplegde, nodig zouden zijn in een gemeente die innerlijk al volwassen was en zichzelf beheerste. Ik heb in een eerdere lezing gezegd dat dit gevolgen heeft voor de gebruikelijke praktijk in charismatische gemeenten en pinkstergemeenten van wat doorgaans gezamenlijk zingen in de Geest wordt genoemd. Strikt genomen verbood Paulus dat in Korinthe. Hij stond alleen toe dat mensen die in tongen spraken één voor één spraken, en niet zonder uitleg. Maar we weten ook dat hij zich grote zorgen maakte over het wanordelijke gedrag van de gemeente in het algemeen.
Ik denk dat de meesten van ons waarschijnlijk weleens in gemeenten zijn geweest waar de hele gemeente in tongen zong, zonder dat het geheel de indruk van een gekkenhuis maakte. Een ongelovige die binnenkwam, zou daar niet zeggen: ‘Deze mensen zijn gek.’ Hij zou misschien verbaasd zijn, misschien niet weten wat er aan de hand is. Maar er zit een zekere schoonheid en ordelijkheid in, waardoor het zich aandient als iets wat de Naam van Christus niet werkelijk te schande maakt.
Ik zeg niet dat ik met zekerheid kan zeggen dat dit in orde is. Wat ik zeg, is dat ik niet zeker weet of ik deze Schriftgedeelten zou kunnen gebruiken om het te verbieden, zoals sommige mensen zouden doen. Want ik zie dat het Paulus gaat om gepastheid en ordelijkheid in de gemeente. Hij geeft deze specifieke gemeente specifieke aanwijzingen die op hun toestand ingaan en hun strenge beperkingen opleggen. Maar dit zou in wezen hetzelfde soort hoofdstuk kunnen zijn als hoofdstuk 11. Daar zijn enkele algemene beginselen die iedereen in acht moet nemen, maar de specifieke naleving daarvan in Korinthe moest inhouden dat vrouwen hun hoofd bedekten, enzovoort.
Tongentaal en de aanwezigheid van een uitlegger #
Genoeg daarover. Laat ik gewoon proberen uit te leggen wat hij volgens mij zegt in een onduidelijk gedeelte van deze passage. Het gedeelte over mensen die in tongen spreken, spreekt volgens mij redelijk voor zichzelf, misschien niet helemaal. Hij zegt in vers 27:
En als iemand in een andere taal spreekt, laat het dan door twee of hoogstens drie mensen gedaan worden, ieder op zijn beurt, en laat één het uitleggen.
Met andere woorden, niet allemaal tegelijk, maar één voor één. Vervolgens zegt hij:
Maar als er geen uitlegger is, laat hij dan in de gemeente zwijgen, maar laat hij tot zichzelf spreken en tot God.
Dit specifieke vers, vers 28, roept de vraag op: hoe weet je of er wel of geen uitlegger is? In vers 13 zei hij immers:
Daarom, laat hij die in een andere taal spreekt, bidden dat hij het mag uitleggen.
Als de aanwijzingen van Paulus worden opgevolgd, zou vermoedelijk iedereen die in tongen spreekt bidden dat hij het mag uitleggen. In dat geval zou er zeker een uitlegger aanwezig zijn. En als een uiting in tongen van wie dan ook in de gemeente kan komen, en een uitleg evengoed van zomaar iemand in de gemeente kan komen, hoe zou je dan vóór je die uiting geeft weten of iemand die gaat uitleggen of niet?
Ik denk dat de uitspraak ons enig inzicht geeft in de manier waarop Paulus tegen de gaven van de Geest aankeek. Er waren namelijk bepaalde personen die een erkende gave van tongen bezaten, en anderen die een erkende gave van uitleg bezaten.
Als we het hebben over de erkende gave van tongen, bedoel ik daarmee een bediening voor de gemeente, tegenover een persoonlijke gebedstaal voor de omgang met God. We hebben het over een erkende bediening, zoals die van profeten en leraren. Iedereen zou kunnen onderwijzen, maar er waren leraren in de gemeente die als leraren erkend werden. Daar waren ze voor. Dat was hun voornaamste bijdrage.
Uit de woorden van Paulus maak ik op dat er mensen in de gemeente waren die als uitleggers bekendstonden. Dat was de voornaamste gave waarvan men erkende dat die in hen aanwezig was. Het is mogelijk dat iemand anders die niet als zodanig erkend werd, bij een bepaalde gelegenheid een echte uitleg kon geven. Maar ik krijg de indruk dat er in de gemeente mensen waren die erkenning hadden gekregen als degenen die in zekere zin bevoegd waren om in tongen te spreken. Wanneer zij dat deden, ging men ervan uit: deze mensen hebben de echte gave. Daar hoef je niet aan te twijfelen.
Aan de andere kant waren er ook mensen die als uitleggers werden erkend. En wanneer zij een uitleg gaven, werd die als echt beschouwd, omdat zij als echte uitleggers werden gezien. Anders is vers 28 onzinnig. Dan kun je er niets mee beginnen. Als uitleg gewoon iets spontaans is dat bij wie dan ook in de gemeente kan opkomen nadat er in tongen is gesproken, hoe kan degene die overweegt om al dan niet in tongen te spreken dan van tevoren weten of er een uitlegger aanwezig is? Hij zou helderziend moeten zijn of de gave van profetie moeten hebben. In dat geval zou hij er sowieso beter aan doen om te profeteren dan om in tongen te spreken. Volgens mij laat dit ons zien dat Paulus verwachtte dat de gemeente wist wie in de gemeente uitleggers waren. Hij zegt niet dat iemand die de gave van uitleg heeft, moet uitleggen. Hij zegt gewoon: een uitlegger. Alsof dat een titel is, een erkend ambt, een erkende positie of begaafdheid in de gemeente. Dus vers 28 licht volgens mij het gordijn een beetje op. Het onthult iets van de veronderstellingen die achter de gang van zaken in de vroege gemeente lagen: er waren mensen die deze gave hadden, en het was bekend wie dat waren. En als zij bij die bepaalde bijeenkomst niet aanwezig waren, kon je maar beter zwijgen. Want je kon er niet zeker van zijn dat jouw tongentaal uitgelegd zou worden en zo de gemeente zou opbouwen.
Wie moeten de profetieën beoordelen #
Als we bij het gedeelte over profeten komen, treffen we nog meer dubbelzinnigheid aan. In de verzen 29 tot en met 32 staat in bijna elk vers iets dat op de ene manier, maar ook op een heel andere manier kan worden uitgelegd. Vers 29:
Laat twee of drie profeten spreken en laat de anderen beoordelen wat er is gezegd.
Dan rijst de vraag: wie zijn die anderen? Gaat het om alle andere mensen in de gemeente, zodat iedereen profetie moet beoordelen? Of gaat het om de andere profeten? Nogmaals, als er erkende uitleggers waren, waren er misschien ook erkende profeten. Het is zelfs waarschijnlijk dat die er waren, aangezien Paulus aan het einde van hoofdstuk 12 aangaf dat niet iedereen apostel was en niet iedereen profeet. Hoofdstuk 12, vers 29:
Zijn zij soms allen apostelen? Zijn zij soms allen profeten? Zijn zij soms allen leraars? Zijn zij soms allen krachten?
Kennelijk werden sommigen erkend als apostelen, sommigen als leraren en sommigen als profeet.
Er waren dus mensen in de gemeente die samen een groep profeten vormden. En het is mogelijk dat Paulus hier bedoelt: laat twee of drie leden van die groep profeten spreken, en laat de anderen in die groep profeten beoordelen. En het Griekse woord voor beoordelen is hier hetzelfde als het woord voor onderscheiden of onderscheiding in 1 Korinthe 12:10. Daar gaat het om de gave van het onderscheiden van geesten. En geesten zou hier verwijzen naar de profetische uitspraken zelf.
De gave van tongen en de gave van uitleg konden bij dezelfde persoon aanwezig zijn. Of er was als het ware een groep mensen in de gemeente van wie bekend was dat ze in tongen spraken en uitleg gaven. Die twee gaven waren dan in dezelfde kring aanwezig en vulden elkaar aan. Zo kan er heel goed een groep mensen in de gemeente zijn geweest die profeten waren. Sommigen van hen zouden tijdens een bepaalde bijeenkomst profeteren, terwijl anderen zouden onderscheiden, zouden beoordelen. Beide mogelijkheden passen bij de bewoording van de passage. Ofwel een paar profeten spreken en alle andere mensen in de hele gemeente onderscheiden en beoordelen. Ofwel het gaat over de groep profeten: sommigen zullen spreken, en de anderen zullen beoordelen wat er wordt gezegd en het onderscheiden.
Om de beurt profeteren en sprekers onderbreken #
Verder staat er in vers 30:
30En als aan een ander die daar zit, iets geopenbaard wordt, laat dan de eerste zwijgen. 31Want u kunt allen, de één na de ander, profeteren, opdat allen leren en allen bemoedigd worden. 32En de geesten van de profeten zijn aan de profeten zelf onderworpen.
De woorden in vers 31, ‘Jullie kunnen allemaal om de beurt profeteren’, zouden op iedereen in de gemeente kunnen slaan, al weet ik dat niet zeker. Nogmaals, als hij aanwijzingen geeft aan een groep mensen in de gemeente die profeten zijn, zegt hij misschien tegen hen: ‘Ieder van jullie komt aan de beurt.’ Slechts twee of drie per bijeenkomst, maar er zijn veel bijeenkomsten. En één voor één, op het juiste moment, zal iedereen een kans krijgen. Of, zoals ik al zei, misschien spreekt hij meer in het algemeen tot de hele gemeente. Iedereen kan één voor één profeteren, maar blijkbaar niet allemaal tijdens dezelfde bijeenkomst. Want hij wil, zo lijkt het, dat er tijdens de bijeenkomst twee of drie zijn.
Vers 30 is interessant, intrigerend, want hij zegt:
Als iemand anders die erbij zit een openbaring krijgt, moet de eerste stil zijn.
Wie is die eerste? Die eerste is iemand die aan het profeteren is. Je hebt dus profeten die spreken, één voor één, twee of drie. Maar hier is een man aan het spreken en wordt er iets aan iemand anders geopenbaard. En de man die aan het spreken is, moet zwijgen en de tweede man laten spreken. Dat klinkt bijna alsof profeten elkaar mogen onderbreken. Als ik aan het profeteren ben en er wordt iets aan iemand anders geopenbaard, kan ik midden in een zin worden onderbroken. Dan moet ik mijn mond houden en hem laten praten.
In zekere zin is dat niet erg logisch, want volgens mij zou dat bijna het tegenovergestelde zijn van wat Paulus wil dat er gebeurt. Hij wil geen onderbrekingen en conflicten en dat soort dingen. Hij wil dat alles ordelijk verloopt. En als de eerste profeet werkelijk een uitspraak heeft ontvangen, waarom zou hij zich dan laten onderbreken? Waarom kan de tweede persoon, aan wie iets wordt geopenbaard, niet gewoon wachten tot de eerste man klaar is? Laat hem afmaken wat hij zegt, en laat daarna de volgende man op zijn beurt spreken.
Dat is de eerste indruk die ik altijd van deze passage had, en ik vermoed dat de meeste mensen die ook zouden hebben. Paulus lijkt te zeggen dat als een tweede profeet een openbaring krijgt, hij de eerste man moet onderbreken, en dat de eerste man moet zwijgen en de tweede man aan het woord moet laten. Maar dat roept ook vragen op. Waarom zou de eerste man niet afmaken wat hij te zeggen had, als hij iets van God had? En waarom zou de tweede man zichzelf niet kunnen beheersen totdat de andere man klaar is, om dan op een ordelijke manier zijn woord door te geven? Nou, ik denk dat de oplossing heel waarschijnlijk deze is. Paulus stelt zich een groep profeten voor die in de gemeente in een bijeenkomst bij elkaar zijn. Twee of drie van hen mogen een uitspraak doen. De anderen in de groep profeten beoordelen die. Terwijl ze erbij zitten en beoordelen wat er gezegd wordt, krijgt een van hen misschien inzicht in de vraag of de profetie van degene die spreekt werkelijk van God komt. Vermoedelijk ziet hij in dat die niet echt is. Dan moet hij onderbreken en zeggen: ‘Het spijt me, broeder, maar dat vindt bij ons geen weerklank. Wij geloven niet dat dat van God komt.’
Dat zou verklaren waarom de spreker terecht onderbroken wordt. Dat zou verklaren waarom hij moet zwijgen. Het uitgangspunt is dat hij zojuist heeft gezegd dat de anderen moeten beoordelen wat er gezegd wordt. En als er iets geopenbaard wordt, vat ik dat op als iets wat geopenbaard wordt aan degenen die het beoordelen. Ze beoordelen de profetie en proberen aan te voelen of die van de Heere komt. En ze onderscheiden iets en zeggen: ‘Wacht even. Hier klopt iets niet. Dit is niet Gods woord voor deze bijeenkomst. Wij aanvaarden dat niet.’ Dan hoort de eerste niet door te gaan en te proberen degenen die bezwaar maken te overschreeuwen. Hij hoort zich zwijgend te onderwerpen aan het oordeel dat over hem is uitgesproken.
Heeft een profeet zijn gave onder controle #
Dan staat er in vers 32:
En de geesten van de profeten zijn aan de profeten zelf onderworpen.
Sinds ik als zestienjarige in de charismatische beweging kwam, heb ik altijd gedacht dat dit het volgende betekende. En bijna elk commentaar lijkt deze opvatting te ondersteunen. De woorden zouden betekenen dat de gave van profetie volledig onder de beheersing staat van de wil van degene die profeteert. Met andere woorden, de gave van profetie dringt zich niet op en dwingt iemand niet om te profeteren. Zelfs wanneer God iemand een geest van profetie geeft, blijft die onderworpen aan degene die hem bezit. Die blijft onderworpen aan de man zelf.
Volgens deze uitleg zou Paulus dit zeggen omdat die man te horen krijgt dat hij moet zwijgen. Maar stel dat hij tegenwerpt: ‘Ik kan nu niet stoppen. God spreekt tot mij. Ik heb niet het vermogen om op te houden, om te zwijgen.’ Paulus zegt: ‘Jawel, dat kun je wel. Je hebt deze situatie onder controle.’
Paulus zou dus zeggen: ‘Je kunt niet beweren dat je jezelf niet in de hand hebt. Je moet stoppen als je gezegd wordt te stoppen, want je hebt je gave onder controle.’ Als dit vers zo wordt opgevat, wordt het ook op andere gaven toegepast.
Die uitleg zou ik tegenwoordig ter discussie stellen. Eén ding dat ik zou willen zeggen, is dat er in de Bijbel gevallen zijn waarin profeten in trance raakten, in elk geval in het Oude Testament. En voor zover ik weet is de gave van profetie in het Nieuwe Testament niet echt een andere gave dan in het Oude Testament. Mannen zoals Bileam raakten in trance wanneer ze profeteerden, en de Geest van God gaf hem woorden waarover hij geen controle had. Hij wilde Israël eigenlijk vervloeken, maar telkens wanneer hij in die trance raakte, kwamen er woorden van zegen uit zijn mond die hij niet wilde uitspreken.
De profeet Amos zei:
De leeuw heeft gebruld. Wie zou niet bevreesd zijn? De Heere HEERE heeft gesproken. Wie zou niet profeteren?
Alsof hij zegt: ‘Wie kan zich inhouden? Wie heeft de situatie onder controle? Als God tot een profeet spreekt, hoe zou hij het dan niet kunnen uitspreken?’ Dat is Amos hoofdstuk 3, vers 8. Amos 3:8:
Een leeuw heeft gebruld. Wie wordt daar niet bang van? De Heer heeft gesproken, wie kan dan nog anders dan profeteren?
Het klinkt bijna alsof je het nauwelijks binnen kunt houden als het woord in je brandt.
Jeremia werd het zat om vervolgd te worden omdat hij een profeet was. Ik weet het nummer van de passage niet meer; misschien herinner je het je. Hij zei:
Zei ik: Ik zal niet aan Hem denken, ik zal niet meer spreken in Zijn Naam, dan werd het in mijn hart als brandend vuur, opgesloten in mijn beenderen. Wel deed ik moeite om het in te houden, maar ik kon het niet.
Hij zei:
Ik ga het niet doen. Ik ben dit zat. Ik ga geen woorden van de Heer meer doorgeven.
Maar hij zegt:
Maar het woord van de Heer was als een vuur dat in me brandde, en ik kon mijn mond niet houden.
Dit soort dingen geeft mij de indruk dat een echte gave van profetie de profeet misschien niet altijd de volledige controle laat. Het klinkt alsof de profeet vaak gedrongen wordt om te spreken. En soms had hij geen controle over wat hij zei, zoals bij Bileam, die werkelijk in trance raakte wanneer hij profeteerde. Zelfs over de woordkeuze had hij geen controle, en ook over de inhoud had hij op geen enkele manier controle.
Wanneer Paulus dus zegt, alsof het vanzelf spreekt:
En de geesten van de profeten zijn aan de profeten zelf onderworpen.
en daarmee bedoelt: ‘Iemand die een gave van profetie heeft, heeft daar volledige controle over’, dan vraag je je af hoe dat strookt met wat we in de rest van de Schrift over de gave van profetie te weten komen.
Profetieën onder het oordeel van andere profeten #
Ik zal je nu vertellen wat het volgens mij waarschijnlijk betekent. Ik kan het niet bewijzen, maar het is een alternatief dat mij heel zinnig lijkt. Wanneer hij in vers 32 zegt:
En de geesten van de profeten zijn aan de profeten zelf onderworpen.
dan bedoelt hij volgens mij dat de uitingen van de profeten, die door de andere profeten worden beoordeeld, onderworpen zijn aan het oordeel van de groep profeten. Dat wil zeggen: de afzonderlijke profetische uitspraken moeten worden beoordeeld door de groep profeten die ze beoordeelt, en moeten zich aan het oordeel van die groep onderwerpen. Het zou dus niets zeggen over de controle die de individuele profeet over zijn gave heeft. Al kan het heel goed zijn dat profeten daar in veel gevallen wel enige controle over hebben. Maar dan zou hij geen axioma geven dat niet noodzakelijk strookt met wat we elders in de Schrift over profetie zien. Het zou meer aansluiten bij het geheel van wat hij hier zegt.
Je hebt een groep profeten. Twee of drie van hen mogen in een samenkomst spreken, één tegelijk, en de anderen moeten het beoordelen. Als er, terwijl iemand spreekt, bij degenen die erbij zitten en het beoordelen iets wordt opgemerkt waarvoor ze de man moeten onderbreken en zeggen: ‘Wacht eens even. Dat is niet van God’, dan moet hij zwijgen. Waarom? Omdat zijn profetische gave onderworpen is aan het oordeel van de gemeenschap van profeten in de gemeente. Hij moet zich onderwerpen aan het oordeel van de andere profeten die beoordelen wat hij zegt. Want de uitingen van de profeten zijn onderworpen aan het oordeel en het gezag van de profeten in de gemeente, de groep profeten.
Dat kan een heel andere uitleg van deze verzen zijn dan je gewend bent, en misschien is het niet de juiste. Maar ik geef je die ter overweging. Volgens mij valt er veel voor die mogelijkheid te zeggen.
Vers 33:
Want God zorgt voor vrede, niet voor verwarring, zoals in alle gemeenten van gelovigen.
Dat is iets wat overal geldt. Misschien is het niet zo dat in alle gemeenten van de heiligen iedere keer dat ze samenkomen maar twee of drie profeten spreken. Maar ze houden zich allemaal aan deze algemene, alles overstijgende waarheid: God is niet de veroorzaker van verwarring. God is de bewerker van vrede, en dat geldt overal in de gemeenten.
Het zwijggebod en de ruimte voor vrouwen #
Vers 34:
34Laten uw vrouwen in de gemeenten zwijgen. Het is hun immers niet toegestaan te spreken, maar bevolen onderdanig te zijn, zoals ook de wet zegt. 35En als zij iets willen leren, laten zij dat dan thuis aan hun eigen man vragen. Het is immers schandelijk voor vrouwen om in de gemeente te spreken. 36Of is het Woord van God van ú uitgegaan? Of heeft het alleen ú bereikt?
Ik kan net zo goed het volgende vers ook lezen:
Als iemand denkt dat hij een profeet is of een geestelijk mens , laat hij dan erkennen dat wat ik u schrijf geboden van de Heere zijn.
Gewoon om de voorschriften wat gewicht te geven. Vooral de voorschriften van vers 34 en 35, die blijkbaar wat gewicht nodig hebben, omdat mensen dit voortdurend aanvechten. Moderne christenen vechten het zelfs voortdurend aan. Ze zeggen dat dat niet echt waar kan zijn. Dat waren Paulus' eigen farizeïsche vooroordelen tegen vrouwen enzovoort, die vanuit zijn verleden weer naar boven kwamen.
Nou, dat kun je zeggen als je wilt. Maar volgens Paulus sluit je jezelf uit van erkenning als geestelijk mens of profeet als je niet erkent dat wat hij zegt het gebod van de Heere is. Als iemand zichzelf als geestelijk mens of profeet beschouwt — en nogal wat mensen in Korinthe dachten zo over zichzelf — dan zegt hij dat zo iemand dat kan bewijzen door te erkennen dat wat ik zojuist tegen jullie heb gezegd het gebod van de Heere is.
Wat heeft hij nu zojuist gezegd? Hij heeft gezegd dat vrouwen in de gemeenten moeten zwijgen. Hoe moeten we dat begrijpen? Eerder, in hoofdstuk 11, leek hij het goed te keuren dat vrouwen met bedekt hoofd baden en profeteerden. Het is waar dat hij niet uitdrukkelijk zei dat hij in de gemeente bedoelde. Toch lijkt het zeer waarschijnlijk dat het openbare of hardop bidden en profeteren plaatsvond wanneer de gemeente samenkwam, vooral het profeteren.
Mijn indruk is dat Paulus niet van vrouwen eiste dat ze in de gemeente volkomen stil waren en niets deden en niets zeiden. En natuurlijk moeten we het soms doen met tegenstrijdige indrukken over dingen. Verschillende mensen zien verschillende dingen in wat niet eenduidig is. Volgens mij stond hij vrouwen wel toe om te bidden en te profeteren. Dat is trouwens bepaald niet iets kleins. Profetie is, zei hij, de grootste gave die de gemeente kon opbouwen. Als een vrouw mag profeteren, weet ik niet goed waarom ze zou klagen dat ze niets belangrijks mag doen. Profetie is immers, zoals Paulus aangaf, een van de grootste gaven, waar iedereen naar zou moeten streven. De dingen die voor de gemeente het waardevolst zijn, stond God vrouwen in feite wel toe te doen, zo lijkt het. Mits ze zich op de juiste manier onderwierpen en, in dat geval, hun hoofd bedekt hadden.
Maar er is iets wat Paulus hun niet toestond. Zijn woorden ‘Laat jullie vrouwen stil zijn; zij mogen niet spreken’ en zijn uitspraak aan het einde van vers 35, ‘Het is een schande als een vrouw in de gemeente spreekt’, kunnen we in absolute zin opvatten. In dat geval moeten we ons afvragen waarom Paulus hen dan in hoofdstuk 11 onder bepaalde voorwaarden wel leek te laten spreken. En misschien blijven we dan zonder een goed antwoord op die vraag zitten. Of we kunnen zeggen dat Paulus het heeft over een specifiek probleem in Korinthe, waar het spreken van de vrouwen een probleem veroorzaakte, en dat hij hun zegt daarmee op te houden. Het is schandelijk. Het veroorzaakt wanorde. Het is verkeerd.
Zoals je weet, denk ik niet dat alles in de Bijbel wat het gedrag van vrouwen in de gemeente beperkt, cultuurgebonden is. Dat geloof ik beslist niet. Ik geloof dat wat Paulus over de rollen van vrouwen onderwees, een blijvend, universeel verschil aangeeft tussen de rollen van mannen en vrouwen in de gemeente. Ik geloof bijvoorbeeld dat Paulus, toen hij in 1 Timotheus hoofdstuk 2 het volgende verbood:
Want ik sta niet toe dat een vrouw onderwijs geeft, en ook niet dat zij de man overheerst, maar ik wil dat zij zich stil houdt.
daarmee feitelijk uitsloot dat vrouwen ooit in de geschiedenis oudsten of voorgangers van gemeenten zouden zijn. Sommige mensen vinden die opvatting niet prettig en zijn het niet met me eens. Maar je weet dat dit mijn standpunt is, en daarom ben ik niet iemand die Paulus' onderwijs over vrouwen afzwakt. Ik heb geen probleem met de traditionele rollen van vrouwen. Ik laat me niet intimideren door feministen die aanstoot zouden nemen aan het standpunt dat ik inneem. Daarom wil ik dat je weet dat wat ik hier zeg, niet voortkomt uit enig verlangen om iets af te zwakken. Het komt eenvoudig voort uit het verlangen te begrijpen wat er in Paulus' gedachten omgaat en wat hij werkelijk probeert over te brengen.
Vragen van vrouwen verstoren de samenkomst #
Ik geloof dat er in deze passage aanwijzingen zijn dat vrouwen op de een of andere manier de samenkomst van de gemeente in Korinthe verstoorden. Zijn instructies aan hen aan het begin van vers 35 suggereren dat ze misschien voortdurend vragen stelden. Misschien onderbraken ze de spreker met vragen over van alles. Besef dat vrouwen in die samenleving soms minder onderwijs hadden genoten dan mannen. Om die reden vonden ze sommige dingen misschien moeilijker te begrijpen dan de mannen. In veel gevallen konden de mannen misschien beter lezen en schrijven, hadden ze meer kennis van de wereld of meer theologische kennis dan de vrouwen, wier rol meestal in het gezin lag. Ze hadden thuis geen boeken. Er waren geen drukpersen, dus het was niet zoals vandaag, nu een vrouw thuis goed theologisch of stichtelijk materiaal kan lezen. Ze waren thuis om de kinderen groot te brengen, en ze hadden eigenlijk niet veel tot hun beschikking om een diepgaand begrip van geestelijke dingen op te bouwen. Daarom vonden ze het misschien moeilijker dan de mannen om sommige dingen te begrijpen die in de gemeente werden gezegd.
Ik geef toe dat er een zekere mate van giswerk zit in dit scenario dat ik schets, maar ik probeer het te baseren op de gegevens in de tekst. Het lijkt erop dat er wanorde in de gemeente ontstond doordat vrouwen veel vragen stelden. Sommigen hebben zelfs gezegd, en ik zeg niet dat het zo is, maar je hoort predikers dit heel vaak zeggen, dat in Korinthe de vrouwen en de mannen aan verschillende kanten of in verschillende delen van het gebouw zaten. Zo was de indeling bij synagogediensten, en sommigen denken dat dit ook in de vroege gemeente gebeurde. We weten het niet zeker, maar er zijn mensen die het zeggen alsof het absoluut waar is.
Als dat waar was, als de vrouwen aan de ene kant van de ruimte zaten en de mannen aan de andere, en de vrouwen tijdens de dienst hun mannen vragen stelden, dan zouden ze daarvoor moeten opstaan en de ruimte oversteken. Dat mochten ze waarschijnlijk niet doen als mannen en vrouwen inderdaad strikt gescheiden waren. Of ze zouden dwars door de ruimte heen tegen hun mannen moeten spreken. Als de bijeenkomst in het algemeen toch al chaotisch was, zouden ze daar misschien niets bijzonders in zien. Als het een rustige, eerbiedige dienst was zoals de meesten van ons die kennen, kun je je nauwelijks voorstellen dat een vrouw zo ongemanierd zou zijn dat ze dwars door de ruimte heen naar haar man schreeuwde om hem een vraag over de preek te stellen. Maar als de diensten in Korinthe toch al een gekkenhuis waren, was het misschien niet ondenkbaar dat vrouwen zeiden: ‘Alle anderen doen waar ze zelf zin in hebben. Ik ga mijn man iets vragen.’
Persoonlijk zou ik niet voor mijn rekening willen nemen dat de mannen en vrouwen tijdens de gemeentelijke samenkomst apart zaten. Misschien wel, misschien niet. Ik weet dat niet zeker. Ik heb commentaren gelezen, maar ik weet niet goed waarop ze die uitspraak baseren. Dit wil ik echter wel zeggen: er zijn in de passage aanwijzingen dat vrouwen hun mannen vragen stelden.
Laat ik het zo zeggen. Mijn kinderen stellen me soms vragen tijdens de samenkomst, en ik besef heel goed dat als er iemand aan het woord is, mijn kinderen, zelfs als ze fluisteren, hard genoeg fluisteren om door mij gehoord te worden. Het is hard genoeg voor de mensen achter me om hen te horen. Als iedere vrouw in de gemeente dat bij haar man deed — en misschien deden ze niet eens moeite om te fluisteren — dan zou je tijdens de dienst een voortdurend geroezemoes van gefluister en gepraat krijgen, terwijl iemand probeert te prediken, iemand iets probeert over te brengen. Dan zou je dit enorm afleidende verschijnsel krijgen van vrouwen die hun man gedurende de dienst telkens weer vragen stellen over wat er gezegd wordt. Dat is misschien het soort lawaai, het soort verstoring waarvan Paulus zegt dat vrouwen die niet moeten veroorzaken.
34Laten uw vrouwen in de gemeenten zwijgen. Het is hun immers niet toegestaan te spreken, maar bevolen onderdanig te zijn, zoals ook de wet zegt. 35En als zij iets willen leren, laten zij dat dan thuis aan hun eigen man vragen. Het is immers schandelijk voor vrouwen om in de gemeente te spreken.
Het zwijggebod als citaat van tegenstanders #
Aan deze uitleg kleeft een zekere mate van gissen, maar ik denk dat hij redelijk is. Er zijn andere mogelijkheden. Eén mogelijkheid waar ik niet veel geloof aan hecht, maar waar de evangelische feministen altijd op terugvallen, is dat vers 34 en 35 op geen enkele manier deel uitmaken van het onderwijs van Paulus. Ze zeggen dat die verzen eigenlijk weergeven hoe Paulus een te verwachten tegenwerping inleidt van een paar seksistische zwijnen in de gemeente, die de vrouwen eronder willen houden, terwijl Paulus dat niet wil. Evangelische feministen proberen de helft van de tijd Paulus aan hun kant te krijgen en zeggen dan: ‘Hij dacht zoals wij.’ En bij andere passages zeggen ze: ‘Dit komt nu voort uit zijn vooroordelen.’ Ze proberen van twee walletjes te eten. De ene keer proberen ze te ontkennen dat Paulus het gedrag van vrouwen beperkt. Andere keren geven ze toe dat hij dat doet, maar menen ze dat dit zijn vooroordeel is, dat voortkomt uit zijn achtergrond of zijn cultuur. Volgens mij kun je niet van twee walletjes eten. Ofwel Paulus gaf vrouwen evenveel vrijheid als moderne feministen dat doen, ofwel hij deed dat niet. En als hij dat niet deed, dan moet je beslissen: deed hij dat niet vanwege zijn persoonlijke remmingen, of deed hij dat niet omdat God hem opdroeg hun beperkingen op te leggen? Dat is weer een andere kwestie om te bespreken.
Hier zetten evangelische feministen echter zonder uitzondering heel vers 34 en 35 tussen aanhalingstekens, alsof Paulus iemand citeert met wie hij het niet eens is: een of andere mannenchauvinist die niet wil dat vrouwen iets zeggen in de gemeente, zelfs geen geoorloofde dingen — profetieën, gebeden en zulke dingen die ze met recht zouden mogen inbrengen. Sommige mannen houden er gewoon niet van dat vrouwen praten. Het is dus alsof Paulus een tegenwerping inleidt, alsof iemand het woord neemt en zegt:
Maar laat jullie vrouwen stil zijn in de gemeente, want ze mogen niet spreken. Zegt de wet dat ook niet? En als ze iets willen leren, moeten ze dat thuis vragen, want het is een schande als vrouwen in de gemeente spreken.
Het antwoord van Paulus daarop staat in vers 36. Hij zegt:
Of is het Woord van God van ú uitgegaan? Of heeft het alleen ú bereikt?
En ‘jullie’ staat in de mannelijke vorm. Dus zeggen de feministen: ‘Hij zegt: “Alleen jullie mannen?”’ Of:
Heeft het alleen jullie bereikt, mannen?
Dan zou Paulus dus de informatie in vers 34 en 35 corrigeren. In vers 34 en 35 hebben we een soort ouderwetse traditionalist aan het woord, en Paulus corrigeert die persoon en zegt: ‘Wat, denken jullie mannen dat jullie het alleenrecht op inzicht hebben? Waarom zouden vrouwen niet mogen spreken?’ Zo begrijpen de evangelische feministen het.
Dat gaat zo ver dat als je bijvoorbeeld de New Revised Standard Version neemt, daar al vanuit de fabriek aanhalingstekens om vers 34 en 35 staan, omdat dat de nieuwe feministische Bijbel is. Het is de genderneutrale Bijbel, enzovoort. Ze willen af van de taal die specifiek een geslacht aanduidt als het over God en Christus enzovoort gaat. Ze hebben de partijlijn gevolgd, een heel duidelijke partijlijn van de evangelische feministen, om dat allemaal tussen haakjes of tussen aanhalingstekens te zetten.
Bezwaren tegen de uitleg als tegenwerping #
Het probleem dat ik daarmee heb, is het volgende. Ik erken dat Paulus in zijn betoog soms iets invoegde wat waarschijnlijk een tegenwerping was. Hij citeerde dan iemand met wie hij het niet eens was, om die persoon te antwoorden. Maar alle keren dat hij dat eerder heeft gedaan, ging het om heel korte dingen. Zoals:
Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar niet alle dingen zijn nuttig. Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal mij niet onder de macht van ook maar iets laten brengen.
of, in Romeinen:
Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt?
Korte weergaven van een opvatting waartegen hij wil ingaan. Of:
Wie heeft zich tegen Zijn wil verzet?
U zult dan tegen mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie heeft Zijn wil weerstaan?
Is God dan ontrouw?
Dit soort dingen verwacht Paulus soms van degenen die tegenwerpingen maken. Maar ze zijn altijd kort en ze hebben nooit het karakter van een uitvoerig stuk onderricht. Het is meer een korte samenvatting van wat iemand zou kunnen denken, waarop een wat langere uitleg volgt als antwoord.
Als ze hier gelijk hebben, dan vormen heel vers 34 en 35 een uitvoerig betoog van iemand met wie Paulus het niet eens is, en geeft hij in vers 36 een heel kort antwoord. Dat lijkt niet te kloppen. Bovendien heeft Paulus op een andere plaats wel gezegd, en niemand betwist dat — hij zei het daar in 1 Timotheus 2 — dat vrouwen stil moeten zijn in de gemeente. Dat is wat hier gezegd wordt, dus ik denk niet dat hij het ermee oneens is.
Een vraag is: waar staat dat in de wet?
Dat zegt de wet ook.
In Genesis 3:16 staat over de vrouw dat
Tegen de vrouw zei Hij: Ik zal uw moeite in uw zwangerschap zeer groot maken; met pijn zult u kinderen baren. Naar uw man zal uw begeerte uitgaan, maar hij zal over u heersen.
en dat zou kunnen zijn waar hij naar verwijst. Zij moet onderdanig zijn, zoals de wet ook zegt.
Opnieuw hebben we iets universeels en iets wat misschien specifiek voor deze gemeente geldt. Namelijk, overal behoren vrouwen in hun rol tegenover hun man onderdanig te zijn. Maar in dit specifieke geval zullen ze moeten ophouden met praten in de gemeente in Korinthe, waar ze de orde verstoren. Ze moeten hun vragen bewaren voor later, wanneer ze met hun man thuis zijn. Het onderwerp verdient zeker een uitvoeriger behandeling dan dit.
Herkomst
Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als 1 Corinthians 14:20-37. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/1-korinthe/14-20-37
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/1-korinthe/14-20-37.pdf?v=aeb855ee34c5
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - 1 Korinthe - Lezing 16 - 14.20-37.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/1-korinthe/14-20-37.mp3?v=b4b79f618e78
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - 1 Korinthe - Lezing 16 - 14.20-37.mp3
1 Korinthe
Alle lezingen over 1 Korinthe. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 1:1-9 Paulus schrijft aan de gemeente in Korinthe
- 2 1:10-31 Ruzie in Korinthe over wie ze volgen
- 3 2:1-13 Paulus predikt de gekruisigde Christus
- 4 2:14-4:7 Paulus en Apollos zijn Gods dienaren
- 5 4:8-21 Korinthiërs zoeken aanzien, Paulus lijdt
- 6 5:1-13 Paulus wil de ontuchtpleger uit de gemeente
- 7 6:1-18 Christenen slepen elkaar voor de rechter
- 8 7:1-40 Trouwen mag, ongehuwd blijven is ook goed
- 9 8:1-9:15 Paulus laat vlees staan voor zijn broeder
- 10 9:16-10:33 Paulus ziet af van zijn rechten
- 11 11:1-16 Hoofdbedekking en haarlengte in Korinthe
- 12 11:14-34 Korinthiërs misdragen zich aan tafel
- 13 12:1-10 Paulus stelt grenzen aan geestelijke gaven
- 14 12:10-31 Tongentaal in de gemeente vraagt om uitleg
- 15 13:1-14:19 Zonder liefde zijn geestelijke gaven niets
- 16 14:20-37 Paulus begrenst tongentaal in de gemeente
- 17 15:1-16:24 Christus is opgestaan, de doden volgen
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/1-korinthe/14-20-37.srt?v=4099b7215e25
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - 1 Korinthe - Lezing 16 - 14.20-37.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/1-korinthe/14-20-37.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- Hebreeën 10:25
- 1 Korinthe 14:33
- 1 Korinthe 14:23
- 1 Korinthe 14:18
- 1 Korinthe 14:19
- 1 Korinthe 14:20
- 1 Korinthe 13:10
- 1 Korinthe 13:11
- Efeze 5:12
- 1 Korinthe 14:21
- Jesaja 28:9
- Jesaja 28:10-12
- Jesaja 28:13
- 1 Korinthe 2:6
- Hebreeën 5:14
- Jesaja 28:10
- Jesaja 28:11-12
- Lukas 24:45
- 1 Korinthe 14:22-25
- 1 Korinthe 14:24-25
- 1 Korinthe 14:22
- Mattheüs 16:4
- Ezechiël 2:5
- Filippenzen 3:12
- Filippenzen 3:15
- 1 Korinthe 14:26-33
- 1 Korinthe 14:26
- 1 Korinthe 14:40
- 1 Korinthe 4:15
- 1 Korinthe 14:27
- 1 Korinthe 14:28
- 1 Korinthe 14:13
- 1 Korinthe 12:29
- 1 Korinthe 14:30-32
- 1 Korinthe 14:32
- Amos 3:8
- Jeremia 20:9
- 1 Korinthe 14:34-36
- 1 Korinthe 14:37
- 1 Timotheüs 2:12
- 1 Korinthe 14:34-35
- 1 Korinthe 14:36
- 1 Korinthe 6:12
- Romeinen 6:1
- Romeinen 9:19
- Genesis 3:16