---
title: "Jozua 7-8"
book: "Jozua"
book_slug: "jozua"
passage: "Jozua 7-8"
passage_en: "Joshua 7 - 8"
episode: 8
series: "Vers voor Vers"
teacher: "Steve Gregg"
publisher: "Vers voor Vers"
language: "nl"
url: "https://versvoorvers.org/jozua/7-8"
markdown_url: "https://versvoorvers.org/jozua/7-8.md"
audio_url: "https://media.versvoorvers.org/jozua/7-8.mp3"
source_url: "https://thenarrowpath.com"
published: "2026-10-23"
duration: "PT54M1S"
bible_translation: "HSV"
citation: "Steve Gregg, «Jozua 7-8», Vers voor Vers, https://versvoorvers.org/jozua/7-8"
license: "Lezing van Steve Gregg (The Narrow Path), Nederlandse uitgave Vers voor Vers. Vrij te delen met bronvermelding en link naar https://versvoorvers.org; overname elders in overleg via info@versvoorvers.org. Bijbeltekst HSV."
---

# Jozua 7-8

> Door Achans diefstal verliest Israël bij Ai

## Samenvatting

Steve Gregg bespreekt hoe Achans verborgen diefstal heel Israël treft en tot de nederlaag bij Ai leidt. Hij benadrukt dat God Israël als één geheel ziet en dat de aanwezigheid van God bij het volk afhankelijk is van gehoorzaamheid aan Zijn verbond. Bij de verovering van Ai legt hij de hinderlaag uit en waarschuwt hij ervoor om Gods bijzondere aanwijzingen tot vaste methoden te maken. Hij bespreekt Achans belijdenis en de bestraffing van zijn gezin, dat volgens hem in diens schuld moet hebben gedeeld. Ten slotte behandelt hij de plechtigheid bij Ebal en Gerizim, waarbij hij stelt dat trouw aan Gods verbond, en niet etnische afkomst, bepaalt wie tot Israël behoort.

## Hoofdstukken

1. [Mozes, Zippora en de besnijdenis](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h1) — 0:02
2. [Achans zonde treft heel Israël](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h2) — 2:23
3. [Israëls nederlaag bij Ai](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h3) — 6:57
4. [Gods leiding is geen vaste methode](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h4) — 9:29
5. [Jozua's klacht en Gods reputatie](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h5) — 15:04
6. [Zonde verbreekt Gods bescherming](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h6) — 19:02
7. [God wijst de schuldige aan](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h7) — 20:43
8. [Schuld belijden geeft God de eer](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h8) — 24:06
9. [Achans begeerte naar de buit](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h9) — 26:04
10. [De medeplichtigheid van Achans gezin](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h10) — 28:01
11. [Achans dood in het dal van Achor](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h11) — 29:37
12. [God geeft opnieuw opdracht tegen Ai](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h12) — 32:16
13. [Het plan om Ai in een hinderlaag te lokken](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h13) — 34:15
14. [Ai en Bethel laten hun steden onbewaakt](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h14) — 37:30
15. [Ai brandt en de achtervolgers raken omsingeld](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h15) — 40:17
16. [De verwoesting van Ai als Gods oordeel](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h16) — 42:39
17. [Het verbond omvat ook vreemdelingen](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h17) — 45:21
18. [Heel Israël hoort de wet](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h18) — 48:16
19. [Zegen en vloek op Gerizim en Ebal](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h19) — 49:54

## Tekst

Elke alinea sluit met `^p<n>`; de permalink naar die alinea is https://versvoorvers.org/jozua/7-8#p<n>.

### 1. Mozes, Zippora en de besnijdenis

*0:02 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h1*

Er werd mij voorgesteld dat er misschien nog een andere uitleg gegeven kon worden van Mozes’ ontmoeting met de Heere bij de overnachtingsplaats. In plaats van dat Zippora degene was die zich tegen de besnijdenis van de zoon had verzet, opperden enkele vrouwen dat Mozes’ nalatigheid misschien helemaal niet haar schuld was. Misschien verweet zij hem juist dat hij het had nagelaten. Daardoor was het aan haar overgelaten om het te doen en zo zijn leven te redden.

^p1

Er zijn allerlei verschillende dingen over deze passage gezegd. Iemand dacht zelfs dat God daar niet Mozes probeerde te doden, maar zijn zoon. Toch denk ik niet dat juist dat onderdeel waarschijnlijk is, want er staat:

^p2

> En het gebeurde onderweg, in de herberg, dat de HEERE hem tegenkwam en hem wilde doden.
>
> — Exodus 4:24

^p3

Het woord ‘hem’ moet natuurlijk ergens een zelfstandig naamwoord hebben waarnaar het terugverwijst. Mozes’ zoon wordt nergens in de voorafgaande context genoemd op een manier die het vanzelfsprekend zou maken om met ‘hem’ zijn zoon te bedoelen. Mozes is het onderwerp van deze hele bespreking, dus met ‘hem’ zou heel vanzelfsprekend Mozes bedoeld worden. Als ‘hem’ de zoon was, zou je ergens in de verzen vlak daarvoor een verwijzing naar zijn zoon verwachten. En dat is niet echt wat je daar aantreft. Daarom denk ik dat het Mozes is wiens leven in gevaar was.

^p4

Wat de onvrede van Zippora betreft, hebben verschillende mensen dat kennelijk verschillend opgevat. Ik heb nooit enige aanwijzing gezien dat Zippora vóór de besnijdenis zou zijn geweest en Mozes niet. Volgens die uitleg verwijt zij hem dat hij het kind niet eerder had besneden. Daardoor moest zij het zelf doen en haar handen met bloed vuilmaken. Kennelijk waren er drie vrouwen die allemaal dachten dat dit was wat er speelde. Eerlijk gezegd zie ik het gewoon niet. Ik zie niet in waarom een heidense vrouw zou wensen dat haar zoon besneden was, terwijl een Joodse man degene zou zijn die er niet mee instemde. Het lijkt mij dat het conflict juist andersom zou liggen. Maar ik denk dat we dan maar moeten zeggen dat er meer dan één manier is waarop men dit heeft opgevat.

^p5

### 2. Achans zonde treft heel Israël

*2:23 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h2*

In Jozua hoofdstuk 7 zien we dat er een zonde is begaan, maar dat die geheim is gehouden. Noch Jozua, noch, voor zover we weten, iemand anders weet ervan, behalve de man die de zonde heeft begaan, en misschien zijn gezin. Hij houdt het geheim, maar het wordt iets wat God het hele volk aanrekent, zodat het volk de gevolgen ondervindt van de zonde van één man. Dat lijkt misschien ongepast, maar we zullen ernaar kijken. God doet beslist niets wat ongepast is. In plaats van te zeggen dat het ongepast is, zouden we moeten vragen: ‘Waarom is het gepast?’ Want dat moet het zijn.

^p6

Er staat:

^p7

> Maar de Israëlieten pleegden trouwbreuk met wat door de ban gewijd was, want Achan, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam Juda, nam van wat door de ban gewijd was. Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen de Israëlieten.
>
> — Jozua 7:1

^p8

Dit is een samenvatting van wat we in het hoofdstuk gaan lezen. God werd boos op Israël omdat, opmerkelijk genoeg, Israël een overtreding had begaan. Er wordt ons verteld dat één man dat deed, en dat was niet noodzakelijk met medeweten en goedkeuring van de rest van het volk. De rest van het volk wist er waarschijnlijk helemaal niets van. Toch werd de overtreding van één man binnen het volk beschouwd als een overtreding van het volk. Het is duidelijk dat God Israël meer als een geheel beschouwt dan alleen als een verzameling afzonderlijke mensen. Zonde in het kamp was de zonde van het kamp. Dat wil zeggen: het hele kamp was zondig als er iemand in het kamp zondigde.

^p9

Die manier van kijken hebben wij niet in de moderne westerse beschaving, omdat wij een veel sterker besef hebben van persoonlijke, individuele rechten, persoonlijke, individuele verantwoordelijkheid en persoonlijke, individuele identiteit. Maar in oosterse culturen wordt de hele gemeenschap, het hele volk of de hele clan als een eenheid gezien. Een probleem binnen de clan dat door één persoon wordt veroorzaakt, is een probleem voor iedereen.

^p10

Paulus lijkt die benadering ook te hebben wanneer hij over ons spreekt als het lichaam van Christus. Hij zei:

^p11

> En als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Als één lid eer ontvangt, verblijden alle leden zich mee.
>
> — 1 Korinthe 12:26

^p12

Nu, als één persoon in onze gemeente, of in de gemeente, ergens overzee lijdt, heb ik niet het gevoel dat ik lijd. Maar Paulus zegt:

^p13

Nee, het hele lichaam lijdt.

^p14

Voel jij dat ook zo? Als Billy Graham geëerd wordt, voel jij je dan persoonlijk geëerd? Of heeft een christen soms eerder de neiging jaloers te zijn? ‘Waarom wordt hij geëerd en ik niet?’ Maar als hij geëerd wordt, word jij dat ook, volgens Paulus.

^p15

_[Vertalersnoot: de spreker zegt hier dat alle leden eer ontvangen. Het hierboven aangehaalde Bijbelcitaat zegt dat alle leden zich meeverblijden.]_ Hij ziet het lichaam van Christus als één geheel. God zag Israël als één geheel.

^p16

God had Israël eerder zelfs Zijn eerstgeboren zoon genoemd. Israël wordt dus vaak gezien als een collectieve persoon, een collectieve identiteit. Dat begrip kennen we in ons westerse denken niet zozeer. Maar dat wij niet zo denken, betekent nog niet dat het niet de juiste manier van denken is. Als God zo denkt, is dat blijkbaar de juiste manier van denken. Er is natuurlijk individuele verantwoordelijkheid. Het hele volk Israël werd niet gestenigd zoals Achan. Hij onderging persoonlijk de gevolgen van zijn zonde. Maar hij maakte deel uit van een verbonden geheel, zodat zijn zonde het hele volk besmette. En er staat dat Israël een overtreding beging. Dat klinkt ons vreemd in de oren: Israël de schuld geven van iets waarvan de meesten niet eens wisten dat het gebeurde. Maar het is goed dat we erkennen hoe God de dingen ziet. Want als God de dingen op de ene manier ziet en wij op een andere manier, dan moet óf Hij van gedachten veranderen om het met ons eens te worden, óf wij moeten van gedachten veranderen om het met Hem eens te worden. En ik denk niet dat Hij van gedachten zal veranderen. Ik denk niet dat Hij Degene is Die door de vernieuwing van Zijn denken veranderd moet worden om Zich aan onze manier van denken aan te passen. Die verandering hoort de andere kant op te gaan.

^p17

### 3. Israëls nederlaag bij Ai

*6:57 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h3*

Vers 2:

^p18

> Toen Jozua mannen stuurde van Jericho naar Ai, dat bij Beth-Aven ligt, ten oosten van Bethel, zei hij tegen hen: Trek op en verken het land. De mannen trokken op en verkenden Ai.
>
> — Jozua 7:2

^p19

Dat wordt waarschijnlijk uitgesproken als het Engelse ‘eye’, maar ik ben gewend ‘ai’ te zeggen, dus zo ga ik het uitspreken.

^p20

Net zoals ze bij Jericho hadden gedaan. Ze stuurden eerst verkenners vooruit om informatie te verzamelen waarmee ze hun strategie konden bepalen.

^p21

> [3] Daarna keerden zij terug naar Jozua en zeiden tegen hem: Laat niet heel het volk optrekken, maar laat ongeveer tweeduizend man of ongeveer drieduizend man optrekken om Ai te verslaan. Vermoei daarmee niet heel het volk, want zij zijn maar met weinigen. [4] Toen trok ongeveer drieduizend man van het volk op daarnaartoe, maar zij sloegen voor de mannen van Ai op de vlucht. [5] En de mannen van Ai doodden van hen ongeveer zesendertig man, en zij achtervolgden hen van voor de poort tot Sjebarim toe en versloegen hen op de helling. Toen smolt het hart van het volk van angst en het werd als water.
>
> — Jozua 7:3-5

^p22

Hiervoor smolten de harten van de Kanaänieten en werden ze als was. Nu beginnen de Israëlieten die ontmoediging te voelen, die angst: ‘Wat is er aan de hand? We dachten dat God aan onze kant stond. We trekken op tegen dit weinig indrukwekkende, gemakkelijke doelwit, en we verliezen mannen en winnen niets.’

^p23

Het verlies van zesendertig mannen is een enorme tragedie voor de gezinnen van die mannen. Meestal is dat een betrekkelijk klein aantal gesneuvelden in een oorlog, vooral als je de oorlog zwaar hebt verloren maar slechts zesendertig soldaten bent kwijtgeraakt. Het is geen slachting, maar het zijn toch de enige gesneuvelden van wie we weten dat Israël ze in al hun veldslagen heeft verloren. Dat is iets verbazingwekkends. Als je in een veldslag zit en de pijlen vliegen je om de oren, de speren vliegen en er wordt met zwaarden gezwaaid... Je ziet zulke veldslagen zoals in Braveheart, al die chaotische situaties waarin wapens in alle richtingen flitsen. Als je zo'n veldslag doorkomt zonder dat er ook maar één van je mannen dood is, terwijl alle vijanden dood zijn, dan zou je daarin zeker de hand van God zien.

^p24

Ze verloren dus zesendertig mannen. Het vreemde is dat die zesendertig niet persoonlijk verantwoordelijk waren voor wat Achan had gedaan. Zij leden vanwege zijn zonde, en hun gezinnen leden onder hun verlies. Maar we lopen op de zaken vooruit.

^p25

### 4. Gods leiding is geen vaste methode

*9:29 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h4*

Wat ik interessant vind, is dat Jozua überhaupt de moeite nam om de verkenners eropuit te sturen en hun raad te vragen. Dat was niet per se verkeerd. Het is alleen verrassend als je de menselijke natuur kent. Ik zou denken dat hij zou zeggen: ‘We weten hoe we steden moeten veroveren. We lopen om steden heen, we blazen op sjofars, we schreeuwen, de muren vallen om. We weten hoe dit moet. We hebben dit zien gebeuren. Laten we dat nu bij Ai gaan doen.’

^p26

Maar ze gingen er niet van uit dat het bij Ai op dezelfde manier zou gebeuren. Dat God het bij Jericho deed, betekent nog niet dat Hij het op een andere plaats ook zal doen. Ze volgden dus voor ieder afzonderlijk geval de bevelen van God, of Zijn leiding, hoopten ze. Ze namen niet zomaar Gods bevelen voor één stad en zeiden: ‘Laten we dat overal klakkeloos overnemen. Laten we gewoon een vaste methode maken van die strategie.’

^p27

De reden dat ik daarop wijs, is dat mensen de neiging hebben om dat te doen. En volgens mij maken christenen die fout zelfs in de geestelijke strijd. In sommige kringen waarin ik ben geweest, vinden mensen dat je als onderdeel van de geestelijke strijd Jerichomarsen rond je stad moet houden. Ik weet niet of je daarvan hebt gehoord: gebedswandelingen rond steden enzovoort. Ze zeggen: ‘Nou, dat hoort bij de geestelijke strijd.’

^p28

Ik geef op veel plaatsen voor Jeugd met een Opdracht een lessenserie over geestelijke strijd. Ik gaf die eens op een basis ergens anders. De leidster van de discipelschapstrainingsschool had mij nog nooit horen lesgeven, maar kende wel andere leraren die onderwijs gaven over geestelijke strijd. Ongeveer halverwege de week kwam ze naar me toe en zei: ‘Wanneer ga je het hebben over gebedswandelingen en geestelijke cartografie en dat soort dingen?’

^p29

Ik zei: ‘O, ik wist niet dat je wilde dat ik dat zou doen. Ik zal het daarover hebben.’

^p30

Dus vertelde ik het verhaal van Jozua die om Jericho heen trok, en hoe hij van die methode geen vaste regel maakte alleen maar omdat die bij één gelegenheid had gewerkt. Hij nam niet aan dat de aanwijzingen die God hem bij één gelegenheid over een strategie had gegeven, voortaan automatisch telkens moesten worden opgevolgd. Hij moest in elk afzonderlijk geval de strategie volgen die God hem zou geven, in plaats van ergens gewoon een vaste regel van te maken. Ik zei dat het volgens mij een gevaar is voor christenen om, wanneer God werkelijk een strategie openbaart of een aanwijzing geeft, aan te nemen dat dit nu de manier is waarop we voortaan te werk zullen gaan.

^p31

Bijna elke opwekking heeft wel iets nieuws. Toen de pinksteropwekking in 1900 of 1901 plaatsvond rond Azusa Street in Los Angeles, was spreken in tongen een van de kenmerken van die opwekking. Mensen verwachtten dat niet, maar toen de opwekking kwam, spraken de mensen die er vanaf het begin bij waren in tongen. En dat gebeurde veel tijdens die opwekking. Dus wat gebeurde er? Ze richtten een aantal kerkgenootschappen op: Assemblies of God, Four Square Church, Pentecostal Church of God. Deze verschillende pinksterkerkgenootschappen die uit die beweging voortkwamen, maakten er een vaste leerstelling van: wanneer je vervuld wordt met de Geest, spreek je in tongen.

^p32

Nou, misschien wel, misschien niet. Bij die gelegenheid deden ze dat. Bij andere gelegenheden deden ze dat ook. Maar wie zegt dat het altijd moet gebeuren? Je neemt niet iets wat God op een bijzondere manier heeft gedaan om vervolgens te zeggen: ‘Goed, daar gaan we een vaste regel van maken. Zo gaan we het voortaan doen.’

^p33

We kunnen gemakkelijk zien dat zoiets gebeurt. Persoonlijk geloof ik dat er momenten zijn geweest waarop mensen die vervuld waren met de Geest, omvielen omdat ze zich zo overweldigd voelden. Maar blijkbaar heeft iemand dat ooit zien gebeuren en gezegd: ‘Dat gebeurt er wanneer mensen vervuld worden met de Geest.’ Dus laten ze mensen in rijen staan om voor hen te bidden, en verwachten ze dat mensen elke keer dat er voor hen gebeden wordt, omvallen. Als ze niet vallen, duwen ze hen wel om. In sommige gevallen heb ik dat zien gebeuren. Ik zeg niet dat iedere prediker die voor deze mensen bidt, hen zou omduwen. Ze zijn niet allemaal zo gewetenloos, maar er zijn mensen die dat doen.

^p34

Ze zeggen: ‘Dit hoort te gebeuren.’ Waarom? Omdat het bij één gelegenheid gebeurde, en misschien was het toen zelfs echt. Maar alleen omdat het bij één gelegenheid echt is, betekent dat nog niet dat het altijd echt zal zijn. Je neemt wat God doet en maakt er een standaard van, omdat dat gemakkelijker is dan nieuwe, frisse leiding te ontvangen voor de huidige situatie.

^p35

Je zou denken dat Jozua sterk in de verleiding zou zijn gekomen om te zeggen: ‘Tjonge, dat werkte echt goed bij Jericho. Dat is de gemakkelijke manier om overwinningen te behalen. We weten nu hoe God hier te werk gaat. Dat gaan we bij Ai ook doen.’ Wat ik interessant vind, is dat ze dat niet eens overwogen. Ze stuurden gewoon verspieders om het te verkennen.

^p36

Nu lezen we niet dat ze bij deze gelegenheid rechtstreeks de Heere raadpleegden. Hoewel ze later, toen ze Ai daadwerkelijk gingen veroveren, dat volgens mij wel op Gods uitdrukkelijke aanwijzingen deden. In elk geval zien we bij veel van de steden waarover we lezen dat God aanwijzingen geeft, en die verschillen van stad tot stad.

^p37

### 5. Jozua's klacht en Gods reputatie

*15:04 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h5*

Dus worden ze de eerste keer verslagen. En in vers 6 staat dat:

^p38

> Toen scheurde Jozua zijn kleren en hij wierp zich met het gezicht ter aarde, voor de ark van de HEERE, tot de avond, hij en de oudsten van Israël; en zij wierpen stof op hun hoofd.
>
> — Jozua 7:6

^p39

Dat is gewoon een manier uit het Midden-Oosten om verdriet te tonen. En Jozua zei:

^p40

> En Jozua zei: Ach, Heere HEERE, waarom hebt U dit volk de Jordaan toch laten oversteken, om ons in de hand van de Amorieten te geven, om ons om te brengen? Hadden wij maar besloten aan de overzijde van de Jordaan te blijven!
>
> — Jozua 7:7

^p41

Hij zei tenminste niet: ‘Och, waren we maar nooit uit Egypte vertrokken.’ Dat zou, denk ik, echt opstandig zijn geweest. Daar had hij zich juist tegen verzet. Toen de anderen het verslag van hem en de andere verspieders hoorden, zeiden de mensen van zijn generatie:

^p42

> [2] Al de Israëlieten morden tegen Mozes en tegen Aäron. Heel de gemeenschap zei tegen hen: Waren wij maar in het land Egypte of in deze woestijn gestorven! Waren wij maar gestorven! [3] Waarom brengt de HEERE ons dan naar dit land, zodat wij door het zwaard vallen, en onze vrouwen en onze kleine kinderen tot prooi worden van de vijand ? Zou het niet beter voor ons zijn naar Egypte terug te keren?
>
> — Numeri 14:2-3

^p43

Maar hij zei:

^p44

Nee, onzin. God kan ons de overwinning geven.

^p45

En dat geloofde hij. En dat geloofde hij toen hij Jericho innam.

^p46

Maar nu begint hij zich af te vragen: ‘Hé, hadden we bij Jericho gewoon geluk? Wat is hier aan de hand? Ik wou dat we gewoon aan de andere kant van de Jordaan ons kamp hadden opgeslagen, waar de slechteriken niet waren. God heeft ons tenslotte het land van Og en Basan gegeven. Het is daar best mooi. Misschien hadden we daar gewoon moeten blijven.’

^p47

Waarschijnlijk bedoelde hij het niet echt zoals de mensen die terug wilden naar Egypte. Hij redeneert waarschijnlijk alleen maar retorisch: ‘Wat heeft het eigenlijk voor zin dat we hierheen zijn overgestoken? Waarom zijn we daar niet gewoon blijven zitten, als we hierheen komen om zo in de pan gehakt te worden?’ Ik denk niet dat hij met deze uitspraak dezelfde opstandige geest liet zien die de anderen hadden gehad, al klinkt het er wel erg naar.

^p48

Hij zegt in vers 8:

^p49

> [8] O, Heere, wat zal ik zeggen, nu Israël voor zijn vijanden heeft moeten vluchten? [9] Als de Kanaänieten en alle inwoners van het land dit zullen horen, zullen zij ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. Wat zult U dan voor Uw grote Naam doen?
>
> — Jozua 7:8-9

^p50

Nu zegt Jozua: ‘God, Uw Naam staat hier op het spel.’ En dat was natuurlijk ook zo. Jericho beefde voor Israël, omdat ze wisten wat de HEERE kon doen. Ze hadden gehoord wat Hij in Egypte had gedaan. Ze hadden gehoord dat de rivier de Jordaan tot stilstand was gekomen. Ze wisten wat de HEERE kon doen. Maar nu wisten ze wat Ai kon doen. Ze wisten dat Ai Gods volk kon verslaan. Daardoor zal God er behoorlijk zwak uitzien. Het zal de indruk wekken dat deze HEERE, voor Wie we zo bang waren, toch niet zo sterk is. Dit kleine stadje kan Hem verslaan. Dus Jozua zegt: ‘Hierdoor zult U er slecht op komen te staan, God.’ Maar we kunnen zien dat Hij bereid was dat risico te nemen. Ook al was het misschien waar dat God daardoor verkeerd begrepen zou worden, en misschien zelfs korte tijd veracht zou worden in de ogen van de Kanaänieten. De heiligheid van Zijn eigen volk bewaken, dit probleem met de zonde oplossen, was voor Hem blijkbaar belangrijker dan Zijn eigen reputatie. Daarom liet Hij deze nederlaag plaatsvinden.

^p51

Natuurlijk kon God Zijn reputatie herstellen, en dat deed Hij ook. Maar Jozua vindt het vreemd dat God Zijn eigen reputatie zo'n klap zou laten krijgen. Jozua wist niet waarom. Hij wist niet dat er zonde in het kamp was. Hij begreep er niets van.

^p52

### 6. Zonde verbreekt Gods bescherming

*19:02 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h6*

Toen zei de HEERE tegen Jozua:

^p53

> [10] Toen zei de HEERE tegen Jozua: Sta op, waarom ligt u zo met het gezicht ter aarde ? [11] Israël heeft gezondigd. Ook hebben zij Mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden. Bovendien hebben zij genomen van wat met de ban gewijd was, en ook gestolen, en ook gelogen, en zij hebben het ook bij hun huisraad gelegd.
>
> — Jozua 7:10-11

^p54

‘Ze hebben dit gedaan en ze hebben dat gedaan.’ Natuurlijk gaat het eigenlijk om één man, en waarschijnlijk was zijn gezin er ook bij betrokken. Maar het punt is dat één man heeft gestolen, één man heeft bedrogen, één man het heeft verstopt, en dat allemaal. Maar Hij spreekt alsof het hele volk Israël hier medeplichtig aan is, omdat God Israël als een geheel ziet.

^p55

> Daarom zullen de Israëlieten niet kunnen standhouden tegenover hun vijanden. Zij zullen voor hun vijanden vluchten, want zij liggen onder de ban. Ik zal voortaan niet meer met u zijn als u de ban niet uit uw midden wegvaagt.
>
> — Jozua 7:12

^p56

Denk hier nu eens over na. Mensen denken dat Israël een soort onvoorwaardelijke positie bij God heeft. God heeft zojuist gezegd:

^p57

Nee. Op dit moment zijn jullie gedoemd om vernietigd te worden. Als jullie dit niet rechtzetten, ben Ik niet meer bij jullie. Jullie zullen Mijn volk niet meer zijn. Ik zal niet bij jullie zijn.

^p58

Hun positie bij God was niet onvoorwaardelijk. Ze moesten zich aan Zijn voorschriften houden, anders liepen ze het risico door God verlaten en door Hem vernietigd te worden. Dat maakte Hij trouwens ook door Mozes duidelijk, in Deuteronomium en op andere plaatsen. Dus God zei:

^p59

Als jullie dit niet oplossen, zal Ik niet bij jullie zijn.

^p60

### 7. God wijst de schuldige aan

*20:43 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h7*

Vers 13:

^p61

> [13] Sta op, heilig het volk, en zeg: Heilig u voor morgen. Want zo zegt de HEERE, de God van Israël: Er is een ban in uw midden, Israël! U zult niet tegenover uw vijanden kunnen standhouden totdat u de ban uit uw midden wegdoet. [14] U moet in de ochtend per stam naar voren komen. En het zal gebeuren dat de stam die de HEERE aanwijst, per geslacht naar voren zal komen; en het geslacht dat de HEERE aanwijst, zal per familie naar voren komen; en de familie die de HEERE aanwijst, zal man voor man naar voren komen. [15] En het zal gebeuren dat hij die aangewezen wordt als schuldig aan de ban, met vuur verbrand zal worden, hij en alles wat hij heeft, omdat hij het verbond van de HEERE overtreden heeft en omdat hij een schandelijke daad in Israël gedaan heeft.
>
> — Jozua 7:13-15

^p62

Wanneer er wordt gesproken over hoe een bepaalde stam aangewezen zal worden, en vervolgens uit die stam een bepaalde familie, en daarna afzonderlijke personen, is niet duidelijk wat dit proces inhield. Het is heel goed mogelijk dat de Urim en de Tummim werden gebruikt. Maar het is heel duidelijk dat hier bedoeld wordt dat God op de een of andere manier iets zou openbaren, terwijl elke stam aan Jozua voorbijtrok: ‘Goed, daar is de stam. Haal die eruit.’ En vervolgens: ‘Laten we alle families in die stam eens bekijken. Goed, daar is de familie.’

^p63

Hoe God het aanwees, wordt ons niet verteld. De tekst gaat er gewoon van uit dat God met deze mensen communiceert. De tekst vindt dat niet eens zo vreemd dat uitgelegd moet worden hoe het gebeurt. Het is gewoon normaal. Op de een of andere manier laat God mensen weten wat Hij op het oog heeft. Hij maakt keuzes.

^p64

Nu weten we dat er soms gebruik werd gemaakt van het werpen van het lot. Dat werd later gebruikt voor de verdeling van het land. En het kan zijn dat door het werpen van het lot een bepaalde familie of een bepaalde stam werd aangewezen. Het wordt niet uitgelegd, maar op de een of andere manier geeft God te kennen dat Hij zal openbaren welke stam, welke familie, welke persoon de schuldige is.

^p65

Vers 16:

^p66

> Toen stond Jozua 's morgens vroeg op, en hij liet Israël per stam aantreden; en de stam van Juda werd aangewezen.
>
> — Jozua 7:16

^p67

Dat was een gewoonte van hem. Hij stond ook vroeg in de morgen op, op de dag dat ze voor de zevende keer om Jericho heen trokken. Dus hij verspilt geen tijd. Hij staat op en gaat vroeg aan het werk voor God. Hij laat geen daglicht verloren gaan.

^p68

Op welke manier dat ook gebeurde. Het zou me niet verbazen als het door het werpen van het lot was, maar omdat het er niet bij staat, weten we het niet.

^p69

_[Vertalersnoot: de Engelse Bijbeltekst die de spreker hier gebruikt, noemt het lot niet expliciet. De hier aangehaalde Nederlandse vertaling doet dat in vers 17 wel.]_

^p70

> Toen hij het geslacht van Juda naar voren liet komen, wees het lot het geslacht van Zarchi aan. Toen hij het geslacht van Zarchi naar voren liet komen, man voor man, werd Zabdi aangewezen.
>
> — Jozua 7:17

^p71

Daaruit dus.

^p72

> Toen hij diens familie naar voren liet komen, man voor man, werd Achan aangewezen, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam Juda.
>
> — Jozua 7:18

^p73

### 8. Schuld belijden geeft God de eer

*24:06 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h8*

Zo is Achan nu dus aangewezen. Nu zei Jozua tegen Achan:

^p74

> Toen zei Jozua tegen Achan: Mijn zoon, geef de HEERE, de God van Israël, toch de eer en doe voor Hem belijdenis. Vertel mij toch wat u gedaan hebt, verberg het niet voor mij.
>
> — Jozua 7:19

^p75

Hij zegt:

^p76

Geef de God van Israël de eer.

^p77

Dat is een manier om te zeggen: belijd het. Met andere woorden, belijd je schuld. Als Achan geen schuld had, dan kunnen Gods rechtvaardigheid en Gods goedheid in twijfel worden getrokken. Dat wil zeggen, als God Zijn beloften aan Israël niet nakwam en niemand in Israël schuld heeft, dan ligt de schuld bij God. Door zijn eigen schuld te belijden, herstelt hij het besef dat God rechtvaardig is. God deed dit omdat God gelijk had; ik zat fout. Ik ben degene die fout zit. God had gelijk. Door zijn schuld te belijden, verheerlijkt hij God.

^p78

Dat geldt telkens wanneer iemand belijdt dat zijn zonden verkeerd waren. Daarmee zegt hij dat God gelijk heeft. Als iemand niet belijdt dat zijn zonden verkeerd zijn en ze daarmee stilzwijgend goedkeurt, suggereert hij dat God, Die de zonde veroordeelt, ongelijk heeft. Door je eigen schuld te belijden, geef je God dus de eer die Hem toekomt. Je herinnert je misschien dat in Johannes hoofdstuk 9 de man die blind geboren was, voor zijn ondervragers werd gebracht. Ze zeiden:

^p79

> Geef God de eer.
>
> — Johannes 9:24

^p80

En daarmee bedoelden ze: ‘Belijd het verkeerde dat je hebt gedaan, of dat Jezus, Die je heeft genezen, heeft gedaan.’ De gedachte is: óf God zit fout, óf jij zit fout. Je moet dus belijden dat jij fout zit. Daarmee geef je God de eer, in plaats van God als de schuldige aan te wijzen in dit meningsverschil tussen jou en Hem.

^p81

### 9. Achans begeerte naar de buit

*26:04 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h9*

En Achan antwoordde Jozua en zei:

^p82

> [20] Achan antwoordde Jozua: Het is waar, ík heb tegen de HEERE, de God van Israël, gezondigd, en ik heb zo en zo gedaan. [21] Want ik zag onder de buit een mooie kostbare Babylonische mantel, tweehonderd sikkel zilver, en een goudstaaf met een gewicht van vijftig sikkel. Ik begeerde ze en nam ze mee. En zie, ze zijn verborgen in de grond, in het midden van mijn tent, en het zilver eronder.
>
> — Jozua 7:20-21

^p83

Dit is in Jericho.

^p84

Ik weet niet meer precies hoeveel een sikkel woog, maar dit was verscheidene ponden goud. En kleding, wij kunnen naar Ross Dress for Less gaan en een kledingstuk kopen voor ongeveer dezelfde prijs als een paar koppen koffie en een cheeseburger. Maar wij hechten niet zoveel waarde aan kleding als zij. Ze hadden nog geen weefgetouwen. Stof moest met de hand worden geweven. Die was heel duur, heel arbeidsintensief. De gemiddelde persoon had één stel kleren. In Bijbelse tijden werd de rijkdom van een man vaak afgemeten aan het aantal kledingstukken dat hij had, omdat kledingstukken buitengewoon duur waren.

^p85

Een kostbaar Babylonisch kledingstuk moet heel veel waard zijn geweest. Hoe hij dacht dat hij het ongemerkt zou kunnen dragen, weet ik niet. Nadat hij het had verstopt, dacht hij waarschijnlijk: ‘Wat moet ik hiermee?’ Het is eigenlijk nogal opzichtig. En het goud, hoe gaat hij dat te gelde maken zonder dat het opvalt? Maar hij dacht niet na. Het enige wat hij wist, was: ‘Dit is waardevol. Het is zonde om dit te vernietigen zoals God heeft gezegd. Ik denk dat ik het voor mezelf houd.’ En dat was de verkeerde keuze. Deze schatten waren ongetwijfeld heel waardevol, maar het kostte hem meer dan het hem opleverde.

^p86

### 10. De medeplichtigheid van Achans gezin

*28:01 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h10*

Dus stuurde Jozua boden, en ze renden naar de tent. En daar lag het, verborgen in zijn tent, met het zilver eronder. Dat wil zeggen, hij had het zilver dieper begraven, en daarboven het goud en het Babylonische kledingstuk, op verschillende diepten in de tent. Omdat dit in de tent was waar hij woonde, wist zijn gezin er naar alle waarschijnlijkheid ook van. Dat is belangrijk, want we zien dat kennelijk zijn hele gezin met hem omkwam, dat ze samen met hem werden terechtgesteld.

^p87

Er is een algemeen beginsel in de Schrift dat een zoon niet zal sterven voor de misdaden van zijn vader. Dat staat daadwerkelijk in de wet, en het wordt natuurlijk bevestigd in Ezechiël. Het lijkt dus verkeerd of vreemd dat niet alleen Achan voor zijn misdaad ter dood werd gebracht, maar ook zijn hele gezin. We weten echter niet of hij jonge kinderen had. Zijn kinderen kunnen min of meer volwassen zijn geweest, en dit kan een samenzwering van het gezin zijn geweest. Ze wisten allemaal dat het er lag. Ze hadden geen verschillende kamers in hun tent. Het hele gezin woonde in één ruimte. Als hij deze spullen dus in zijn tent had verstopt, moest hij daar een gat graven en ze begraven. Het is niet waarschijnlijk dat zijn gezin daar niets van wist.

^p88

Dus hielden ze samen met hem het geheim verborgen. Of ze het met hem eens waren of niet, weten we niet, maar God weet het. En als Hij hen liet doden, dan moeten ze op de een of andere manier in die schuld hebben gedeeld en samen met hem werkelijk schuldig zijn geweest aan die daad. Mede-samenzweerders, denk ik.

^p89

### 11. Achans dood in het dal van Achor

*29:37 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h11*

En in vers 24 staat:

^p90

> Toen nam Jozua, en heel Israël met hem, Achan, de zoon van Zerah, en het zilver, de kostbare mantel, de goudstaaf, zijn zonen, zijn dochters, zijn runderen, zijn ezels, zijn kleinvee, zijn tent, en alles wat van hem was, en zij voerden die naar het Dal van Achor.
>
> — Jozua 7:24

^p91

Achor betekent ellende, en Achan betekent blijkbaar onruststoker. De twee woorden hebben dezelfde stam, en die stam heeft met ellende te maken. Je zou kunnen zeggen dat Achan iemand was die door zijn zonde ellende over Israël bracht. En toen kwam hij zelf in de ellende terecht. Hij werd zelfs gedood in het dal dat Ellende heette. Jozua zei:

^p92

> Jozua zei: Waarom hebt u ons in het ongeluk gestort? De HEERE zal u in het ongeluk storten op deze dag. En heel Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur. En zij wierpen stenen over hen,
>
> — Jozua 7:25

^p93

Er is heel wat ellende in deze passage.

^p94

> en richtten een grote steenhoop boven hem op, die er is tot op deze dag. Toen liet de HEERE Zijn brandende toorn varen. Daarom gaf men die plaats de naam Dal van Achor, tot op deze dag.
>
> — Jozua 7:26

^p95

Met andere woorden, ze brachten hem naar het dal Achor, maar zo heette het pas vanaf dat moment. Tot op de dag van vandaag heet het zo omdat Achan, de onruststoker, op die plaats ellendig aan zijn einde kwam. Daarom werd het tot op de dag van vandaag het Dal van Ellende genoemd.

^p96

Wanneer er staat ‘tot op de dag van vandaag’, betekent dat natuurlijk tot op het moment waarop dit werd geschreven. Er wordt niet gezegd dat je daar vandaag, in de eenentwintigste eeuw, naartoe zou kunnen gaan en die hoop stenen boven op het lijk van Achan zou kunnen zien. Hoewel het mogelijk is dat die nooit is verplaatst, is die met de zandstormen en dergelijke waarschijnlijk niet tot op de dag van vandaag zichtbaar. Maar waar het om gaat, is dat de schrijver kort genoeg na deze gebeurtenissen schrijft. Al die uitdrukkingen ‘tot op de dag van vandaag’ zeggen in wezen dat dit vanuit het standpunt van de schrijver geen oude geschiedenis is. Hij staat dicht bij de gebeurtenissen en is er blijkbaar in veel gevallen getuige van geweest.

^p97

Dat is goed voor ons om te weten, want we lezen geschiedenis. Het is prettig om te weten dat de geschiedschrijver niet iemand was die honderden jaren later schreef op basis van geruchten die hij had gehoord. Voor hem is dit recente geschiedenis. Daarom is de kans veel groter dat de details goed zijn onthouden.

^p98

### 12. God geeft opnieuw opdracht tegen Ai

*32:16 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h12*

Hoofdstuk 8:

^p99

> Daarna zei de HEERE tegen Jozua: Wees niet bevreesd en wees niet ontsteld. Neem al het krijgsvolk met u mee en sta op, trek op naar Ai. Zie, Ik heb de koning van Ai, zijn volk, zijn stad en zijn land in uw hand gegeven.
>
> — Jozua 8:1

^p100

Nu het weer goed zit tussen hen en God, is er niets om bang voor te zijn. Ze kunnen verder, en ze moeten teruggaan om die onafgemaakte verovering van Ai te voltooien.

^p101

God had gezegd dat al het krijgsvolk mee moest gaan, dus niet slechts een paar van hen.

^p102

> U moet met Ai en zijn koning doen zoals u met Jericho en zijn koning gedaan hebt. Alleen mag u zijn buit en zijn vee voor uzelf roven. Leg voor uzelf een hinderlaag tegen de stad, aan de achterzijde ervan.
>
> — Jozua 8:2

^p103

Deze keer zullen ze de buit mogen houden. De eerstelingen waren alleen voor God, maar de rest van de buit uit de overige steden mochten ze zelf houden. Sommige mensen die niet in God geloven, denken over deze geschiedenis na en zeggen: ‘Deze mensen zijn gewoon een bloeddorstig stamvolk dat het land van een ander binnenviel en dat vervolgens in zijn geschriften rechtvaardigde door te zeggen dat zijn God daartoe opdracht had gegeven.’

^p104

Ik weet het niet zo zeker. Het is gemakkelijk om over dit alles cynisch te zijn, maar zoals ik al zei, hun geschiedenis is niet vleiend voor hen. Hun geschiedenis schildert hen niet af als het loyale en trouwe volk dat de wil van zijn God uitvoert. De meesten van hen komen tegen Hem in opstand. Eerlijk gezegd, als ze dit alleen uit zelfzuchtige, persoonlijke motieven deden en God er werkelijk niet bij betrokken was, waarom zouden ze dan alle buit van een van hun grote veroveringen aan God wijden en zichzelf niet toestaan er ook maar iets van te nemen? Het is duidelijk dat deze mensen in elk geval geloofden dat ze bevelen van hun God opvolgden. Het was niet iets wat ze later bedachten als excuus voor hun daden.

^p105

### 13. Het plan om Ai in een hinderlaag te lokken

*34:15 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h13*

Vers 3 zegt:

^p106

> Toen stond Jozua op met al het krijgsvolk om op te trekken naar Ai. En Jozua koos dertigduizend mannen uit, strijdbare helden. Hij stuurde hen 's nachts op weg
>
> — Jozua 8:3

^p107

Eerder ging het erover dat alle krijgslieden meegingen, en nu gaat het over dertigduizend. Ik denk dat we het waarschijnlijk zo moeten begrijpen dat hij hen in verschillende groepen verdeelde. Er waren blijkbaar drie groepen. Twee daarvan lagen achter de stad in een hinderlaag te wachten, zonder dat de stad daarvan wist. De rest zou dan de frontale aanval uitvoeren.

^p108

> en gebood hun: Zie, u moet een hinderlaag tegen de stad leggen, aan de achterzijde van de stad. Ga niet te ver van de stad weg en houdt u allen gereed.
>
> — Jozua 8:4

^p109

Hij stuurde hen ’s nachts op weg. Gewoonlijk gebeurt er ’s nachts niet veel, omdat ze in die tijd behalve fakkels geen verlichting hadden. Maar zij zouden sluipend te werk gaan, dus ze zouden zelfs geen fakkels hebben. Onder dekking van de duisternis zouden ze om de stad heen trekken en erachter gaan liggen. Zo zou de stad niet weten dat daar iemand was. En zij zouden het werkelijke gevaar voor de stad vormen nadat de andere soldaten bij de voorpoort een krijgslist hadden uitgevoerd.

^p110

Hij zei:

^p111

> [5] Ik en al het volk dat bij mij is, zullen de stad naderen. En het zal gebeuren, als zij de stad uit zullen gaan, ons tegemoet, dat wij voor hen op de vlucht zullen slaan, zoals de vorige keer . [6] Laat hen dan de stad uit gaan, achter ons aan , totdat wij hen uit de stad weggelokt hebben. Zij zullen immers zeggen: Zij vluchten voor ons zoals de vorige keer . Zo zullen wij voor hen uit vluchten. [7] Dan moet ú opstaan uit de hinderlaag en de stad innemen, want de HEERE, uw God, zal hem in uw hand geven.
>
> — Jozua 8:5-7

^p112

Dat wil zeggen, de dertigduizend die achter de stad liggen.

^p113

Want alle soldaten zullen weg zijn.

^p114

De mensen van Ai hadden nu behoorlijk wat zelfvertrouwen. Waarschijnlijk hielden ze die avond een groot feest terwijl Jozua voor God op zijn aangezicht lag, want ze dachten: ‘Zo, die mensen die Jericho hebben verwoest, die hebben wij verslagen. Het gaat behoorlijk goed met ons.’ Dus wanneer Israël terugkomt, denken ze waarschijnlijk: ‘Nou, willen jullie nog een keer een pak slaag van ons krijgen? Kom maar op.’ Wanneer Israël zou vluchten, zou de stad zich volkomen veilig voelen en vol zelfvertrouwen zijn. En iedereen die de stad verdedigde, zou aan de overwinning willen deelnemen. Ze zouden allemaal de stad verlaten en die in feite zonder enige verdediging achterlaten. Het zou dus gemakkelijk zijn voor 30.000 strijders uit Israël om binnen te komen en de stad bijna zonder gevecht in te nemen, als ze dat zonder gevecht zouden willen doen. Ze kwamen om te doden, maar ze zouden daar werkelijk niet veel tegenstand ondervinden zodra de strijders weg waren.

^p115

Vers 7:

^p116

Dan komen jullie uit de hinderlaag tevoorschijn en nemen jullie de stad in. De Heer, jullie God, zal die aan jullie uitleveren. En als jullie de stad hebben ingenomen, moeten jullie die in brand steken. Doe wat de Heer jullie heeft opgedragen. Dit is mijn bevel aan jullie.

^p117

### 14. Ai en Bethel laten hun steden onbewaakt

*37:30 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h14*

> [9] Zo stuurde Jozua hen op weg en zij gingen naar de hinderlaag. Zij lagen tussen Bethel en Ai, ten westen van Ai. Jozua zelf echter overnachtte die nacht te midden van het volk. [10] En Jozua stond 's morgens vroeg op en hij monsterde het volk. Toen trok hij op, hij en de oudsten van Israël, voor het volk uit, naar Ai. [11] Ook trok al het krijgsvolk op dat bij hem was. Zij naderden en kwamen tegenover de stad. Zij sloegen hun kamp op ten noorden van Ai. Het dal lag tussen hem en Ai in. [12] Verder nam hij ongeveer vijfduizend man en legde hen in een hinderlaag tussen Bethel en Ai, ten westen van de stad.
>
> — Jozua 8:9-12

^p118

Nog een groep in hinderlaag aan de westkant van de stad. De anderen bevonden zich blijkbaar aan de oostkant of zo, zodat de aanval vanuit de hinderlaag van beide kanten kon komen.

^p119

> Zij stelden het volk op, heel het leger dat ten noorden van de stad was, en zijn hinderlaag bevond zich ten westen van de stad. En Jozua trok in diezelfde nacht door het midden van het dal.
>
> — Jozua 8:13

^p120

Dat zouden de 30.000 zijn.

^p121

> [14] En het gebeurde, toen de koning van Ai dat zag, dat zij zich haastten en vroeg opstonden. De mannen van de stad kwamen de stad uit, Israël tegemoet voor de strijd, hij en heel zijn volk, naar de verzamelplaats tegenover de Vlakte. Hij wist namelijk niet dat er achter de stad een hinderlaag voor hem was gelegd. [15] Jozua en heel Israël lieten zich door hen verslaan, en zij vluchtten langs de weg naar de woestijn. [16] Daarom werd heel het volk dat in de stad was, opgeroepen om hen te achtervolgen. En zij achtervolgden Jozua en werden van de stad weggelokt. [17] Er werd niet één man in Ai achtergelaten, en ook niet in Bethel, die niet de stad uit ging, achter Israël aan. Zij lieten de stad open achter en achtervolgden Israël.
>
> — Jozua 8:14-17

^p122

Dus blijkbaar sloot Bethel zich in deze strijd als bondgenoot bij Ai aan, hoewel dat ons daarvoor niet was verteld. Dat kwam doordat het dichtbij lag en uiteindelijk net zo goed door Israël werd bedreigd. En blijkbaar werd het toen ook verslagen. We lezen in dit verhaal niet over de nederlaag van Bethel, maar later wordt Bethel wel genoemd in een lijst van steden die veroverd waren. Dit is waarschijnlijk het moment waarop dat gebeurde. Er was geen man in Bethel achtergebleven die hen niet achternaging. Dus Ai en Bethel bleven bij deze gelegenheid allebei even weerloos achter. Hoewel we alleen uitdrukkelijk over de nederlaag van Ai lezen, ging Bethel waarschijnlijk op hetzelfde moment ten onder, want er was geen man in Ai of Bethel achtergebleven die niet achter Israël aan trok.

^p123

### 15. Ai brandt en de achtervolgers raken omsingeld

*40:17 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h15*

> [18] Toen zei de HEERE tegen Jozua: Strek de werpspies die in uw hand is, uit naar Ai, want Ik zal het in uw hand geven. En Jozua strekte de werpspies die in zijn hand was, uit naar de stad. [19] Daarop stonden de mannen in de hinderlaag haastig op van hun plaats, en zij kwamen snel aanlopen, zodra Jozua zijn hand uitgestrekt had. En zij kwamen bij de stad en namen die in, en zij haastten zich en staken de stad in brand.
>
> — Jozua 8:18-19

^p124

De mannen van Ai waren natuurlijk inmiddels allemaal buiten de stad.

^p125

> Toen de mannen van Ai zich omkeerden, zagen zij, en zie, de rook van de stad steeg op naar de hemel. Zij hadden geen ruimte meer om hierheen of daarheen te vluchten, want het volk dat naar de woestijn vluchtte, keerde zich tegen hen die hen achtervolgden.
>
> — Jozua 8:20

^p126

Dat wil zeggen, ze konden zich zelfs niet naar hun stad terugtrekken. Die was platgebrand. Ze bevonden zich nu zonder huizen, zonder gezinnen, midden in het veld en waren blijkbaar ontmoedigd. Hun zelfvertrouwen was duidelijk verdwenen en ze werden gemakkelijk door de Israëlieten gedood. Er staat:

^p127

Ze konden dus geen kant meer op, en de mensen die naar de woestijn waren gevlucht, draaiden zich om en vielen hun achtervolgers aan.

^p128

Dat wil zeggen, Israël deed dat.

^p129

> [21] Toen Jozua en heel Israël zagen dat de mannen in de hinderlaag de stad ingenomen hadden en dat de rook van de stad opsteeg, keerden zij zich om en versloegen de mannen van Ai. [22] Ook kwamen die mannen uit de stad hun tegemoet, zodat zij midden tussen de Israëlieten in kwamen: deze van hier en die van daar. Zij versloegen hen, totdat er geen ontkomene of overlevende overbleef.
>
> — Jozua 8:21-22

^p130

Dat wil zeggen, de andere Israëlieten kwamen naar buiten. Dus nu hebben de mensen van Ai Israël achtervolgd en keren de mensen van Israël zich tegen hen.

^p131

Ze staan tegenover hen, en dan komen de mensen uit de stad achter hen naar buiten. De mannen van Ai worden nu op twee fronten aangevallen. Er staat:

^p132

> [22] Ook kwamen die mannen uit de stad hun tegemoet, zodat zij midden tussen de Israëlieten in kwamen: deze van hier en die van daar. Zij versloegen hen, totdat er geen ontkomene of overlevende overbleef. [23] Maar de koning van Ai grepen zij levend en zij brachten hem bij Jozua.
>
> — Jozua 8:22-23

^p133

### 16. De verwoesting van Ai als Gods oordeel

*42:39 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h16*

> [24] En het gebeurde, toen Israël gereed was met het doden van al de inwoners van Ai op het veld, in de woestijn waar zij hen achtervolgd hadden, en zij allen door de scherpte van het zwaard gevallen waren totdat zij allen omgekomen waren, dat heel Israël zich naar Ai keerde, en zij sloegen zijn inwoners met de scherpte van het zwaard. [25] En het gebeurde dat het er twaalfduizend waren, allen die op die dag vielen, van de man tot de vrouw toe, allemaal mensen uit Ai.
>
> — Jozua 8:24-25

^p134

Ai was blijkbaar een wat grotere stad dan de verkenners aanvankelijk hadden gedacht. Ze dachten dat de stad met twee- of drieduizend soldaten ingenomen kon worden. Waarschijnlijk dachten ze dat dat op die manier gemakkelijk zou gaan. Er waren in werkelijkheid twaalfduizend mensen. Daar zijn natuurlijk vrouwen en kinderen bij inbegrepen, maar dat betekent dat er waarschijnlijk minstens drie- of vierduizend mensen waren die konden vechten. De oorspronkelijke inschatting van de verkenners lijkt dus lager te zijn geweest dan wat ze hadden moeten verwachten nodig te hebben om de stad te veroveren. Maar ze rekenden erop dat God aan hun kant stond, dus misschien deden de aantallen er voor hen niet zoveel toe.

^p135

> Jozua verbrandde Ai en hij maakte het tot een eeuwige ruïne, tot een woestenij, tot op deze dag.
>
> — Jozua 8:28

^p136

Vers 28.

^p137

> De koning van Ai hing hij aan een paal, tot de tijd van de avond. En rond zonsondergang gaf Jozua bevel dat men zijn dode lichaam van de paal zou afnemen. Daarop wierpen zij het bij de ingang van de stadspoort neer en richtten daar een grote steenhoop bovenop, die er is tot op deze dag.
>
> — Jozua 8:29

^p138

Bedenk dat ons niets persoonlijks is verteld over ook maar één van deze slachtoffers van Israël. Omdat we nu eenmaal zulke weekhartige mensen zijn, weet ik zeker dat we geneigd zijn te denken: ‘Dat lijkt toch wel wreed. Gewoon een hele stad uitroeien, en die koning ophangen en zijn lichaam zo onwaardig behandelen. Wat had hij hun ooit aangedaan?’ Nou, hij had hun niets aangedaan. Het gaat om wat hij God had aangedaan. Ze voerden de strijd van de Heere. Ze deden dit niet uit persoonlijke wraak tegen iemand. Ze voerden een opdracht uit. God had iets tegen deze mensen.

^p139

We lezen niets over het dagelijks leven van deze koning van Ai, zijn vrouwen en kinderen en alle mensen die daar woonden. Maar God zag het dag na dag, en het kwelde Zijn rechtvaardige ziel. Zelfs vanuit het oogpunt van een barmhartige en rechtvaardige God was dit Zijn beslissing: nu was het moment gekomen dat deze mensen niet langer verdragen konden worden. Zo werd Israël Zijn werktuig.

^p140

### 17. Het verbond omvat ook vreemdelingen

*45:21 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h17*

> [30] Toen bouwde Jozua een altaar voor de HEERE, de God van Israël, op de berg Ebal, [31] zoals Mozes, de dienaar van de HEERE, aan de Israëlieten geboden had, overeenkomstig wat in het wetboek van Mozes geschreven staat: een altaar van hele stenen die men niet met een ijzeren voorwerp bewerkt had. Daarop brachten zij brandoffers aan de HEERE. Ook brachten zij dankoffers.
>
> — Jozua 8:30-31

^p141

Dit staat in Deuteronomium hoofdstuk 27. God had gezegd dat ze een altaar op de berg Ebal moesten bouwen wanneer ze het land binnenkwamen. Ze zouden zegeningen en vervloekingen uitspreken op de Ebal en op de Gerizim. Dat waren twee bergen die tegenover elkaar lagen, met een dal ertussen.

^p142

> [32] Vervolgens schreef hij daar op stenen een afschrift van de wet van Mozes, die hij geschreven heeft voor de ogen van de Israëlieten. [33] Heel Israël met zijn oudsten, beambten en rechters stond aan deze en aan de andere zijde van de ark, vóór de Levitische priesters, die de ark van het verbond van de HEERE droegen, zowel vreemdelingen als ingezetenen. Eén helft daarvan stond tegenover de berg Gerizim en één helft daarvan stond tegenover de berg Ebal, zoals Mozes, de dienaar van de HEERE, vroeger geboden had om het volk Israël te zegenen.
>
> — Jozua 8:32-33

^p143

Er waren dus zelfs niet-Israëlieten onder hen, maar ze maakten deel uit van Israël. Vanaf het allereerste begin van de geschiedenis van Israël, toen ze Egypte verlieten, zegt de Bijbel:

^p144

> Ook trok een grote groep van mensen van allerlei herkomst met hen mee, en kleinvee en runderen, zeer veel vee.
>
> — Exodus 12:38

^p145

Dat betekent dat ze niet allemaal Israëlieten waren. Ze waren niet allemaal etnische Israëlieten, maar ze waren wel allemaal Israël, want bij de berg Sinaï werd bepaald wat Israël was. Bij de berg Sinaï was er een groep van gemengde afkomst die uit Egypte was gekomen en bij de Sinaï een verbond met God sloot. Wat hen tot Israël maakte, was dat ze zich aan dit verbond hielden, niet dat ze van Joodse bloede waren.

^p146

Zo ook hier: Israël verovert het land en ze brengen hier hun eerste offers aan God. Er zijn enkele niet-Joden onder hen, maar ze maken deel uit van Israël. We denken ten onrechte dat God de Joden altijd heeft begunstigd omdat ze het etnische Israël zijn. Maar God heeft Zich eigenlijk nooit zo beziggehouden met etnische groepen of etnische afkomst. Hij is geen racist.

^p147

> Hij echter geeft des te meer genade. Daarom zegt de Schrift : God keert Zich tegen de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade.
>
> — Jakobus 4:6

^p148

Dat heeft niets met ras of etnische afkomst te maken. Degenen die trouw willen zijn aan Zijn verbond, zijn Israël, zijn Zijn volk. Het doet er niet toe wie hun voorouders waren, zelfs als ze helemaal geen Joods bloed hadden.

^p149

### 18. Heel Israël hoort de wet

*48:16 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h18*

Dat was vers 33. We zijn er nog niet eens mee klaar. Vers 33 zegt:

^p150

Toen stond heel Israël, met hun oudsten, leiders en rechters, aan weerszijden van de ark, tegenover de priesters, de Levieten die de ark droegen, enzovoort.

^p151

Met ‘de vreemdeling’ bedoelt de spreker de buitenlander. Hij vervolgt zijn weergave van vers 33 tot en met 35:

^p152

> Zowel de vreemdeling als degene die onder hen geboren was, stond daar. De helft stond tegenover de berg Gerizim en de andere helft tegenover de berg Ebal, zoals Mozes, de dienaar van de HEERE, eerder had geboden om het volk Israël te zegenen. Daarna las Jozua alle woorden van de wet voor, de zegeningen en de vervloekingen, overeenkomstig alles wat in het wetboek geschreven staat. Er was geen woord van alles wat Mozes geboden had dat Jozua niet voorlas aan de hele gemeenschap van Israël, met de vrouwen, de kleine kinderen en de vreemdelingen die onder hen woonden.
>
> — Jozua 8:33-35

^p153

Hij las ieder woord voor dat Mozes had geboden. Het ging dus niet alleen om de Tien Geboden. Het ging om boeken als Leviticus en Deuteronomium, en ook om een groot deel van Exodus. Waarschijnlijk niet de voorschriften over de tabernakel, want dat waren oude voorschriften die al waren uitgevoerd. Maar in elk geval werden alle wetten die het leven van de Israëlieten moesten regelen daar aan hen voorgelezen. Bedenk dat ze die zelf niet konden lezen. Ze hadden geen exemplaren van de wet, dus die moest aan hen worden voorgelezen.

^p154

### 19. Zegen en vloek op Gerizim en Ebal

*49:54 — https://versvoorvers.org/jozua/7-8#h19*

En ze voerden hier uit wat Mozes had geboden, nu ze het gebied hadden veroverd. Ze hadden nu toegang tot de berg Ebal en de berg Gerizim en konden uitvoeren wat Mozes hun in Deuteronomium 27 had opgedragen. Als je wilt zien wat dat was, waar hij hun daadwerkelijk opdroeg om dat te doen, dan staat dat in Deuteronomium hoofdstuk 27, het hele hoofdstuk. Hij zegt in vers 4:

^p155

> [4] En als u de Jordaan bent overgestoken, moet het zó zijn dat u deze stenen, waarover ik u heden gebied, opricht op de berg Ebal, en dat u ze met kalk bestrijkt. [5] U moet daar een altaar bouwen voor de HEERE, uw God, een altaar van stenen die u niet met een ijzeren voorwerp mag bewerken. [6] Van hele stenen moet u het altaar van de HEERE, uw God, bouwen, en daarop brandoffers brengen voor de HEERE, uw God.
>
> — Deuteronomium 27:4-6

^p156

Het gaat over de offers, en in vers 11 staat:

^p157

> En Mozes gebood het volk op die dag:
>
> — Deuteronomium 27:11

^p158

En zes van de stammen, Simeon, Levi, Juda, Issaschar, Jozef en Benjamin, zullen op de berg Gerizim staan.

^p159

> [12] Wanneer u de Jordaan overgestoken bent, moeten de volgende stammen op de berg Gerizim gaan staan om het volk te zegenen: Simeon, Levi, Juda, Issaschar, Jozef en Benjamin. [13] En de volgende stammen moeten op de berg Ebal gaan staan voor de vervloeking: Ruben, Gad, Aser, Zebulon, Dan en Naftali.
>
> — Deuteronomium 27:12-13

^p160

En dan moesten ze vervloekingen uitspreken over degenen die bepaalde wetten zouden overtreden, en heel het volk zegt:

^p161

Amen.

^p162

Dit is dus de plechtigheid die ze uitvoerden in het hoofdstuk dat we zojuist hebben gelezen. Ze lieten de priester daadwerkelijk voorlezen:

^p163

> [15] Vervloekt is de man die een gesneden of gegoten beeld maakt, een gruwel voor de HEERE, het werk van de handen van een vakman, en dat op een verborgen plaats neerzet! En heel het volk moet antwoorden en zeggen: Amen. [16] Vervloekt is wie zijn vader of zijn moeder veracht! En heel het volk moet zeggen: Amen. [17] Vervloekt is wie de grens steen van zijn naaste verlegt! En heel het volk moet zeggen: Amen. [18] Vervloekt is wie een blinde laat verdwalen op de weg! En heel het volk moet zeggen: Amen. [19] Vervloekt is wie het recht van de vreemdeling, de wees en de weduwe buigt! En heel het volk moet zeggen: Amen. [20] Vervloekt is wie met de vrouw van zijn vader slaapt, want hij heeft het kleed van zijn vader opengeslagen! En heel het volk moet zeggen: Amen. [21] Vervloekt is wie gemeenschap heeft met welk dier dan ook! En heel het volk moet zeggen: Amen. [22] Vervloekt is wie slaapt met zijn zuster, de dochter van zijn vader, of de dochter van zijn moeder! En heel het volk moet zeggen: Amen. [23] Vervloekt is wie met zijn schoonmoeder slaapt! En heel het volk moet zeggen: Amen. [24] Vervloekt is wie zijn naaste in het geheim doodslaat! En heel het volk moet zeggen: Amen. [25] Vervloekt is wie een geschenk aanneemt om iemand om het leven te brengen, onschuldig bloed te vergieten ! En heel het volk moet zeggen: Amen. [26] Vervloekt is wie de woorden van deze wet niet uitvoert door ze te houden! En heel het volk moet zeggen: Amen.
>
> — Deuteronomium 27:15-26

^p164

en de andere mensen moesten zeggen:

^p165

Amen.

^p166

Het was een soort plechtigheid waarbij ze zich opnieuw aan de wet van God wijdden. Nu ze in het Beloofde Land zijn, wilden ze opnieuw bevestigen dat ze God nog steeds trouw zouden blijven en zich nog steeds aan Zijn maatstaven en Zijn wet zouden houden. En daarvoor diende deze plechtigheid.

^p167

## Bijbelteksten in deze lezing

- [Exodus 4:24](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#exodus-4-24)
- [Jozua 7:1](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-7-1)
- [1 Korinthe 12:26](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#1-korinthe-12-26)
- [Jozua 7:2](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-7-2)
- [Jozua 7:3-5](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-7-3-5)
- [Jozua 7:6](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-7-6)
- [Jozua 7:7](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-7-7)
- [Numeri 14:2-3](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#numeri-14-2-3)
- [Jozua 7:8-9](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-7-8-9)
- [Jozua 7:10-11](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-7-10-11)
- [Jozua 7:12](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-7-12)
- [Jozua 7:13-15](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-7-13-15)
- [Jozua 7:16](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-7-16)
- [Jozua 7:17](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-7-17)
- [Jozua 7:18](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-7-18)
- [Jozua 7:19](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-7-19)
- [Johannes 9:24](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#johannes-9-24)
- [Jozua 7:20-21](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-7-20-21)
- [Jozua 7:24](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-7-24)
- [Jozua 7:25](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-7-25)
- [Jozua 7:26](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-7-26)
- [Jozua 8:1](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-8-1)
- [Jozua 8:2](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-8-2)
- [Jozua 8:3](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-8-3)
- [Jozua 8:4](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-8-4)
- [Jozua 8:5-7](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-8-5-7)
- [Jozua 8:9-12](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-8-9-12)
- [Jozua 8:13](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-8-13)
- [Jozua 8:14-17](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-8-14-17)
- [Jozua 8:18-19](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-8-18-19)
- [Jozua 8:20](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-8-20)
- [Jozua 8:21-22](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-8-21-22)
- [Jozua 8:22-23](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-8-22-23)
- [Jozua 8:24-25](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-8-24-25)
- [Jozua 8:28](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-8-28)
- [Jozua 8:29](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-8-29)
- [Jozua 8:30-31](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-8-30-31)
- [Jozua 8:32-33](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-8-32-33)
- [Exodus 12:38](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#exodus-12-38)
- [Jakobus 4:6](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jakobus-4-6)
- [Jozua 8:33-35](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#jozua-8-33-35)
- [Deuteronomium 27:4-6](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#deuteronomium-27-4-6)
- [Deuteronomium 27:11](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#deuteronomium-27-11)
- [Deuteronomium 27:12-13](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#deuteronomium-27-12-13)
- [Deuteronomium 27:15-26](https://versvoorvers.org/jozua/7-8#deuteronomium-27-15-26)

---

Lezing van Steve Gregg. Nederlandse uitgave: Vers voor Vers, https://versvoorvers.org. Bijbeltekst uit de Herziene Statenvertaling, © 2010/2016 Stichting HSV.